Brouwers, Jeroen,2020

Verbijsterd over Jeroen Brouwers uiterst creatieve, ongebreidelde brein

 Jeroen Brouwers (Batavia, 1940) is de grootmeester van de Nederlandse letteren. Zijn werk werd vaak bekroond. Recent verscheen ‘Cliënt Busken’. Uitgave Atlas Contact. Hoofdfiguur Cliënt E. Busken heeft een nare val gemaakt. Huize Madeleine, een verzorgingstehuis voor demente ouderen, vangt hem op en plaatst hem op de gesloten afdeling. Hij is woedend en hij besluit zich doof te houden én te zwijgen. Op zijn hulpverleners en andere cliënten kijkt hij neer en hij uit zich fel en neerbuigend in gedachten op hen. Vanaf het begin word je geconfronteerd met de immense woordenstroom die in sneltreinvaart aan je voorbijgaat. Busken zit vastgegespt in zijn rolstoel en als zuster Morton controleert of de rem erop staat,  - zegt ‘zij met die dragonderstem’: ‘u staat geblokkeerd’ - reageert zijn brein met de volgende oprispingen: ‘Geblokkeerd ik. Geblokkeerder dan de wielen van de rolstoel, die ze ergens achter me, waar ik niet bij kan, heeft vergrendeld. Die wielen gaan gewoon weer draaien als ze niet meer zijn geblokkeerd, ikzelf ben niet als die wielen, want ik kan niets meer, wat wil je ook. Alleen nog zitten en liggen. En waarnemen. Denken. Piekeren. Malen. Bedoelen. Kleuren zien die er niet zijn, althans door anderen niet worden gezien. Ze heeft me met een riem om mijn middel in de stoel gefixeerd, de metalen gesp op mijn navel is niet door mij te openen. Mijn woede daarover en mijn verzet worden met injecties en pillen platgekookt. Wat nog kan bewegen zijn mijn handen en onderarmen.’ Die 256 bladzijde tellende, niet aflatende brei van gedachten omvatten jeugdherinneringen, waaronder aan zijn moeder die hem altijd sloeg, over de verzorgers in hun uniseksuele pakjes, over zijn dagelijks leven: vroeg op, vieze luier, sigaretje in de tuin, een val achter de rollator, en aan het eind van de dag een feestelijke barbecue. ‘Dat mens Carola uit Den Briel’ is er de schuld van dat ik hier zit, ‘in deze wielstoel, in deze riemen met een fluitje aan de hartkant van mijn overhemd. We houden u een poosje hier, meneer Busken. Het is onverantwoord u weer naar huis te laten gaan. Voor u eigen welbevinden, u eigen blaatblaatkokkelkokkel. O ja godverdomme? brulde ik in d’r gezicht, dat zullen we nog weleens zien. Wat denk je wel wiewat je bent, gebluste mafklapper, en tegen wie je het hebt. Weet jij wel wie ik ben. Ik ga zelf over mijn welbevinden en daar heb jij met je lurpse blauwe gepenkop geen spleet mee te maken of iemand anders hier lazer op. Geen bijster sterke tekst als weerwoord, reactie, uiting van mijn woede en aanvliegende paniek, terwijl ik toch een bezonken intellectueel en geestesaristocraat ben[…]’ Terwijl het verplegend personeel denkt dat hij dement is, er niets meer tot hem doordringt, denkt Brouwers des te meer en die gedachtestroom wordt ongeremd op papier geslingerd en zijn een wonder van taal. Maar de lezer zal het boek niet in één adem uit lezen, want er zijn geen onderbrekingen of hoofdstukken ingelast om even bij te komen. Maar als je volhoudt word je beloond omdat je verbijsterd bent over Brouwers uiterst creatieve, ongebreidelde brein.’
Ellen de Jong   2020