Orriols, Maria, 2020

‘Met planten leren praten’: een diep doordachte, sensibele roman

‘Mauro en ik zijn heel lang een stel geweest. Daarna, en maar voor een paar uur, waren we het niet meer. Hij is een paar maanden geleden ineens gestorven, zonder waarschuwing vooraf. Toen de auto hem schepte nam die hem mee en veel andere dingen.’ Zo luiden de eerste regels van de debuutroman ‘Met planten leren praten’ van de Catalaanse schrijfster Maria Orriols (1975). Uitgave Prometheus, vertaling Pieter Lamberts. Hoofdpersoon Paula Cid, neonatoloog is begin veertig en sinds kort weduwe. Orriols beschrijft hoe Paula die laatste middag met hem leefde: ‘Hij dronk wijn, ‘en vroeg of zijn filet nog een keer in de pan kon, beantwoordde een paar telefoontjes van de uitgeverij, schreef op de achterkant van het visitekaartje van het restaurant de titel van een boek van een Franse schrijfster voor me op, dat hij warm aanbeval […] en erna vertelde hij het me. […] Een paar uur later was hij dood.’ Wat vertelde hij haar? Dat hij een ander had, Carla, een jonge aantrekkelijke vrouw, geluidstechnicus bij een radiozender. Ze ontmoeten elkaar aan het einde van het boek, toen Mauro een jaar geleden overleden was. Paula begrijpt hoe hij haar niet kon weerstaan, temeer daar het al een tijdje niet boterde tussen hen. Maar ze is er kapot van, dat hij haar wilde verlaten. Paula gaat op in haar werk in het ziekenhuis en probeert met hart en ziel het leven te redden van een veel te vroeggeboren meisje. Juist op deze afdeling liet Orriols Paula werken, want daar is het leven pas klein, kwetsbaar en weerloos. Mooi is ook dat Mauro een liefhebber van planten was, van stekjes en zaadjes toverde hij bloeiende gewassen: ‘Hoe deed je het Mauro? Alleen water geven is niet genoeg. Je praatte tegen ze.’ Paula heeft veel steun van haar collega’s en vooral later in haar leven van haar vader. Haar moeder is overleden. Maar ze is alleen en verlangt naar fysiek contact. Als ze na Mauro’s begrafenis zijn mobieltje doorsnuffelt en leest wat hij Carla geschreven heeft deed dat haar erg veel pijn. Maar dan komt Quim, de timmerman ‘met de kracht van een orkaan mijn leven binnengestormd.’ Op een avond is het raak, maar: ‘Ik probeerde niet te veel te kijken naar dat onbekende lichaam dat ik onvermijdelijk vergeleek naarmate het tevoorschijn kwam […].’ Dit avontuur loopt op niets uit. Paula kan niet loskomen van Mauro en het vreet aan haar dat ze niet aan Mauro’s zijde was ‘om hem te vergezellen, om hem gerust te stellen, […]om hem te omhelzen of om hem te vergeven.’ Alle dagen lijken op elkaar en als ze in de spiegel kijkt is ze lijkbleek: ‘Het licht van mijn gezicht is uit.’ Ze snakt naar een erotische verbinding en Quim komt weer in beeld. Maar ook nu gaat het weer niet goed. Ze overdenkt dat ondanks strubbelingen met Mauro hij haar fascineerde en ‘week werd wanneer ik zijn ondergoed samen met mijn lievelingsbloes in de wasmachine deed.’ Zou ze ooit nog over haar verdriet heen komen? Het slotstuk van de roman is een verrassing: diep doordacht en sensibel.
Ellen de Jong 2020