Benedictus, Leo, 2019

Een vernuftig en geraffineerd opgebouwde thriller

In ‘Wie zwijgt’, de tweede roman van Leo Benedictus (1975), uitgave Nieuw Amsterdam vertaling Ineke Lenting, heeft de naamloze ik-verteller een erfenis gekregen. Hij is nu schatrijk en wil niet meer werken. Wat hij wel wil? Het stalken van vrouwen lijkt hem wat. Zelf zegt hij: ‘Ik verdiep me in de studie van mensen. De kapster Laura is zijn eerste ‘subject’: ‘Een subject hoeft maar even mijn belangstelling te trekken, zoals Laura, en ik volg haar. Als er een interessanter iemand langskomt, stap ik op haar over. […] Met de meesten ben ik binnen een week of zo klaar.’ De verteller is geen domme man, hij leest Montaigne en Wittgenstein. Maar al snel blijkt hoe gevaarlijk hij is, al doet hij zich voor als een eenzame man die naar liefde zoekt, maar dat kan ook geweld zijn… Op een zekere dag ontmoet hij Frances, een jonge, knappe vrouw. Zij is managementconsultant. Hij gaat haar achtervolgen, zij woont samen met vriendin Stephanie en hij beschrijft tot in de puntjes hoe hij haar schaduwt en stap voor stap haar leven binnendringt. Ze wordt tot haar stomme verbazing ontslagen door haar baas Will, nadat er een mail binnenkomt met de mededeling dat er over haar geklaagd wordt. Ze zou het bedrijf QT opgelicht hebben. Is dit wel zuivere koek? Frances is wanhopig, ze begrijpt er niets van. Ze laat zich troosten door loodgieter Patrick, waarmee ze in bed beland. De verteller is nu zover gekomen dat hij die bedscène gadeslaat. Wel heel verrassend, hoe fikst hij dat? We krijgen het te lezen! Hij weet dat hij obsessief en fout bezig is, maar hij pleegt toch geen misdaad! Het blijft echter niet bij achtervolgen, hij gaat veel verder dan dat alleen…Hij legt camera’s aan, maakt geluidopnames en verzamelt allerhande apparaten, waaronder kleine en grote zagen, een vleesmes en een uitbeenmes. Nou, dan weet de lezer het wel! ‘Raakte Frances me op een manier die ik nog niet kende? Dat doen ze altijd, maar zover als nu was ik nog nooit gegaan. […] Ik weet dat ik in het begin vaak mijn bedenkingen had. Inmiddels is ze zo’n deel van me dat de eerste keren dat we elkaars pad kruisten lang geleden en in steen gebeiteld lijken, ook al zijn er nog maar enkele weken verstreken.’ Hij ontmoet haar in levenden lijve en zij is gecharmeerd van hem, temeer daar Patrick uit haar leven verdween. Hij wordt op een dag vermist…
 Waarom overtreedt de verteller alle grenzen die hij ooit zichzelf oplegde? Uit liefde: ‘Omdat ik wil dat ze van me houdt.’ Als hij haar slaapkamer binnenkomt slaapt ze: ‘Onder je keel deint het dekbed. Buiten giert de wind, maar van dichtbij klinkt je adem als gefluister. Van nog dichterbij voelt hij als een veertje. Je adem verkent de ravijnen van mijn oor.  Ik zou weg kunnen gaan. Het is nog niet te laat. Ik zou de trap kunnen af lopen, mijn schoenen aantrekken en oplossen in de wind. In plaats daarvan klim ik op het bed en doe je lamp aan.’ Een vernuftig en geraffineerd opgebouwde thriller, waarbij je vooral de gruwelijke slotscène niet voelt aankomen.

Ellen de Jong   2019