Siegmann, Machteld

'Ik was nog geen drie toen ze me meegaven’

Het driejarige joodse meisje Leie Blum werd op de fiets door een onbekende man naar een boerengezin in Noord -Holland gebracht. Het is 1942. Leie rekende erop dat haar ouders haar zouden opwachten: […]‘het was haar onmogelijk zich iets anders voor te stellen. De mogelijkheid bijvoorbeeld dat je vader en moeder er helemaal niet zijn daar waar je aankomt. Dat er een deur opengaat en er een vrouw staat die je nog nooit eerder hebt gezien,[…].’ In ‘De kaalvreter’, uitgave Ambo|Anthos doet neerlandicus en auteur Machteld Siegmann (1972) verslag van haar levensloop, vanaf het moment dat ze, zoals blijkt, ondergedoken zit. ‘Ik was nog geen drie toen ze mij meegaven. Mij en een koffer.’Leie wordt liefderijk opgenomen in het gezin van pleegmoeder Nellie en pleegvader Tom en hun twee zoons. Siegmann verdeelt haar boek in aparte hoofdstukken: Leie als kind en als vrouw, echtgenoot Dirk, en zoons Anton en Meeus. De zoons verhalen voornamelijk over dorpse ditjes en datjes en over hun moeder die na de begrafenis van haar pleegmoeder psychisch gestoord raakt. Daar er bij haar een onderdrukt trauma bovenkomt en Leie niet weet hoe verder te leven met haar gezin. Maar zover is het nog niet. Als ze elf jaar is vertellen haar pleegouders dat zij haar echte ouders niet zijn. Dat haar ouders uit Duitsland gevluchte Joden waren […], dat ze haar hadden laten onderduiken omdat de Duitsers hen op de hielen zaten, dat ze allebei gestorven waren en dat zijzelf wonderlijk ontkomen was. Wonderlijk ontkomen, zo zei mem het.’Leie blijft in het gezin en groeit op tot een aantrekkelijke vrouw. Maar het gevoel van wachten bleef, ‘al wist ze niet meer waarop. […] Er kwam niemand om haar te halen, en de gedachte aan wie ze geweest was en bij wie ze gehoord had, trok zich steeds verder terug in haar. […] En toen er helemaal geen reden meer voor haar was om waar ook op te wachten, kwam de vrouw. ‘Ze zag eruit alsof ze een twijg was die van een tak was gescheurd en ze zei dingen die niet klopten. […] Ja, de vrouw had ogen waar Leie niet naar kon kijken maar dat deed ze toch, want haar ogen vertelden meer dan haar woorden […]. ‘s Avonds vonden ze de vrouw aan de balk.’ Leie trouwt met Dirk, krijgt twee zoons en stort na de uitvaart van haar pleegmoeder in…Dirk zich geen raad, Leie is onbereikbaar, leeg. Wat ze doet is puzzelen. Op een dag trekt ze haar trouwjurk aan die Nellie nog gemaakt heeft, neemt haar koffer mee en loopt de trap af naar de kamers van de jongens. ‘Ik duw mijn gezicht in hun kussens, ruik hun geur, […] zeg hen dat ze altijd bij me zijn, dat ze in mij geschreven zijn, en dat ik ze niet vergeten zal, nooit. Dan loop ik de laatste trap af en leg wat ondergoed in de koffer en kousen en een deken en een warme sjaal, dingen die mijn vader en mijn moeder mij niet mee konden geven, maar dat is geen reden om ze nu ook niet mee te nemen.’ Waar gaat Leie naartoe? Zal ze de weg naar het heden terugvinden? Een knap geschreven roman, goed van opbouw en bedachtzaam van stijl.

Ellen de Jong    2019