Wiebes, Hedwig, 2019

Op pad om jezelf te vinden in de roman ‘Wat er is’

‘Ik ben eigenlijk helemaal geen reiziger. Ik ben heel veel niet, vooral veel wat ik dacht te zijn. Ze zeggen dat je op pad gaat om jezelf te vinden, maar ik ben onderweg alleen maar zaken kwijtgeraakt. Ruim twee jaar woonde ik in een busje en nooit zullen de dingen meer worden wat ze waren.’ Dat zijn de beginregels van de roman ‘Wat er is’, van journalist en auteur Hedwig Wiebes (1986). Met als ondertitel ‘Over het grote verlangen naar een klein leven.’ Uitgave Ambo|Anthos. ‘Je hebt alles wat je wenst’, constateert Wiebes, ‘een baan, een man, een mooi huis in Amsterdam.’ Ze bewegen zich volop in het sociale leven, hoewel zij het liefst alleen is. ‘Het is zo snel te veel.’ Ze was soms klaar met al dat moeten en ‘wilde ruimte om te bedenken wat ze echt wilde, of in ieder geval om te kunnen zijn wie ik was, of een begin maken met dat te worden.’Jeroen en zij zijn een perfect stel. Ze hebben twee honden en ze zijn inmiddels ‘mijn halve leven bij elkaar.’ Nadat ze hun huis grondig hebben opgeruimd, gaan ze met een oude Volkswagenbus op pad. De bus is klein, ze nemen weinig spullen mee. ‘Het was begin november en de vijfde nacht sinds we waren vertrokken. We stonden geparkeerd bij een truckerscafé met motel ergens in het midden van Spanje […] Toen ik er de honden uitliet voelde het alsof de wereld was vergaan en wij de enigen waren die nog leefden. […] Iedere dag zakte de temperatuur er met een graad . We moesten doorrijden.’ Ze hadden vroeger nooit gekampeerd, op één keer na. Toch zien ze na een tijdje kans in die kleine ruimte hun weg te vinden. Ze genieten van de natuur, van de zonsop- en ondergangen, van hun wandelingen langs de zee, kortom van al het schoons der aarde. Ze beseft dat het toch mogelijk is op je dertigste je leven radicaal te veranderen. In een artikel zegt Wiebes, als ze na drie jaar de balans opmaakt: ‘Een droom’, zeiden mensen ‘om zo te reizen, en dat wij het aandurfden die waar te maken. Ik zei dan maar niet dat het nooit echt een droom was geweest. Eerder een noodgreep. Ik moest weg. […] Ik hoopte maar dat ik ondertussen erachter zou komen wat ik dan wel wilde.’ Ze doorkruisen onder meer Spanje, Portugal, Marokko en Griekenland. ‘Ik was nu al niet meer wie ik eerder was.[…] Was ik dan nu gelukkig? Ze komt er al snel achter dat reizen een hoop energie kost en dat het ‘permanent leven in een bus rete onpraktisch is.’Ook dacht ze veel meer tijd te hebben om te lezen, maar daar kwam weinig van. Pas later toen ze besefte dat je daar tijd voor moest máken. Tijdens de tocht beleven ze niet veel spannende avonturen. Ze verzanden niet in hachelijke situaties. Ze leven bij de dag met hun twee honden. Ze ontmoeten wel wat mensen en nemen een zieke hond mee. Af en toe botert het niet tussen haar en Jeroen, maar hun band kan tegen een stootje. Er komt een tijd dat ze uitzien naar een vaste plek om zich te vestigen. Zal Hedwig dáár zichzelf vinden, een ervaring - die ze drie jaar later op een grandioze manier in kaart bracht -  rijker?

Ellen de Jong 2019