Polak, Nina 2019

‘Ik wil vooruit, om het even welke richting’


‘We zijn aan boord van de Zorba. Dit is de jachthaven van Cannes. Frankrijk. Het jaar is 2014. Ik ben Nynke Nauta. Ze noemen me Skip. Geboren te Amsterdam op 15 juli 1984.’ Skip is al zeven jaar op zee. Op de vlucht. Samen met haar trouwe schipper Lood zeilen ze schepen van rijke mensen van hot naar her. In de jachthaven doemt uit het niets een figuur op: Juda. ‘Het kan maar één kind zijn, die kromme rug, die bleke snuit, de groteske onderlip. Hoelang is het geleden? Een jaar of zeven.’ Daarna ziet ze vader Nico en moeder Mascha Zeno. ‘Ze is het […] fazantkleurig haar valt voor haar gezicht. Ze schudt het naar achteren, lacht, naar haar Nico, naar haar Juda. Het gezin is compleet, de drie-eenheid.’ In ‘Gebrek is een groot woord’ van Nina Polak(1986), haar tweede roman - ze debuteerde met ‘We zullen niet te pletter slaan’ - volgen we Skips wederwaardigheden in het heden en verleden. Uitgave Prometheus. Op het moment dat ze de familie Zeno ziet komt haar verleden boven. Alsof ze nooit is weggeweest toen ze op haar tweeëntwintigste opgenomen werd in het huis van de Zeno’s in oud-Amsterdam, ‘het tweede decor van mijn jeugd’, na de dood van Skips afstandelijke en labiele moeder, ‘die minder dan niets bezat.’ Ze noemden me ‘Kind aan huis.’ ‘Achter het glas van de tuindeuren het koele, donkere huis, de boekenkasten, […] het hoge raam aan de straat kant waardoor je de straat ziet, die schone straat […] en o, die tuin diep en groen, vol ruimte en schaduw om te denken, te spelen en in sprookjes te geloven, sprookjes te bedenken, jezelf te bedenken. […] Straten verder het balkon van onze flat, mijn moeder en ik, derde van boven, vierde van links, de schotelantennes  voor de vuile ruiten eromheen, haar gezicht… […] De hele topografie van een voorbij leven is hier […].’ Mascha is actrice, Nico architect en Juda is geboeid door virtuele zaken. Allen zijn ze blij haar te zien en ze nodigen Skip uit de zomer in hun tuinhuis door te brengen. Ze gaat erop in: ‘Ik wil vooruit, om het even welke richting. Je hoeft niets te bereiken, je moet alleen weg van waar je bent.’ Skip herkent Amsterdam niet meer en al dolend met haar nieuwe iPhone komen de herinneringen boven. Aan ex Borg met zijn psychologische redeneringen en felle vrijpartijen, aan de flat van haar moeder met die ‘nestlucht.’ Als ze dertig is kust Mascha haar ‘vlak naast mijn droge lippen. Hemel, hel, die geur van zeldzame ingrediënten, […] uit een dure fles verstoven […].’ Mascha is als een moeder voor Skip. Borg komt steeds meer in beeld, hij wil Skip bezitten terwijl hij een ander heeft. Polak laat regelmatig Skips verleden en haar overpeinzingen aan bod komen. Dat ze van plan was geneeskunde te studeren en later antropologie maar zonder resultaat. En zich nu afvragend: ‘Hoe ben ik hier gekomen? Kan iemand mij een kaart van de tijd geven?’ Op een dag zegt Mascha dat ze moet vertrekken, omdat haar dementerende schoonmoeder bij hen in huis komt. Ze gaat meteen en wel naar de boot van Lood de zee weer op, ‘die me gaat genezen van mijn landziekte.’ Polak weet Skip, een zoekende, rusteloze ziel, met een lichtvoetige pen gestalte te geven.

Ellen de Jong 2019