Nimwegen, Van, 2019

‘Hoe kleiner de ruimte om me heen, hoe groter de ruimte in mijn hoofd’

In 2013 debuteerde Elisabeth van Nimwegen (1976) met ‘De smaak van ijzer’. In ‘Onderdak’, uitgave van Oorschot’, speelt een vrouw die er uitzinnig naar verlangt uit haar leven te verdwijnen. En dat doet ze op een heel speciale manier: Ze verstopt zich een slaapzak op de zolder van haar eigen huis, terwijl ze als neerlandica geacht wordt op een conferentie in Helsinki te zijn. ‘Het is een wonderlijk schouwspel, de dingen die ik zie als ik in het donker van mijn gesloten ogen kijk […]. Ze ligt stil als een ingebakerde baby. Mijn mummieslaapak met capuchon omsluit me […] Hoe kleiner de ruimte om me heen, hoe groter de ruimte in mijn hoofd […].’ De zesendertigjarige Andrea is getrouwd met oogarts Tjibbe, ze hebben twee dochters. Ze gaat regelmatig naar beneden om koffie te drinken en te eten. Ze hoort op zolder alle geluiden van beneden en weet wanneer Tjibbe de kinderen naar school brengt en de kust veilig is. Maar ze haat zichzelf omdat ze net als haar moeder niet in staat bleek tot overgave aan haar gezin. ‘Dat ik er stiekem tussenuit moest knijpen!’ Haar moeder had lef die ging voorgoed naar India. ‘Ik ben ook nog eens een lafaard: geen maandenlange planning voor de grote ontsnapping, […] maar een lafhartig ertussenuit knijpen, met plastic tassen vol met supermarktvoedsel en leugenachtige appjes die de schijn ophouden van een tevreden leven.’ Als de bel gaat omdat de taxi voor de deur staat die haar naar Schiphol zou brengen kleedt ze zich snel aan . Toch maar naar de conferentie gaan? Als ze op het damestoilet van het vliegveld zit krijgt ze het benauwd. Ze wil het vliegtuig niet in. Ze belandt weer in haar slaapzak en dan begint het overdenken weer.  Ze heeft nooit tegen Tjibbe durven zeggen ‘dat het moederschap een voortdurende strijd is: […] er is altijd een stemmetje in me dat me onderuithaalt, juist op liefdevolle momenten met mijn gezin, een stemmetje dat fluistert dat ik eigenlijk niet van mijn kinderen houd en dat ik dat zelf ook wel weet.’ Haar aanhoudende behoefte om alleen te zijn, ergert Tibbe, memoreert ze, maar wat hem wanhopig maakt is ‘dat ik niets meer wantrouw dan geluk.’ En ze had altijd gedacht dat met het stichten van een gezin haar neurologische kantjes wel zouden slijten. Waar ze geen rekening mee had gehouden is ‘dat een kind, laat staan twee, niet alleen komt. Dat komt met verjaardagsfeestjes, met kindvriendelijke campings, […] met volle luiers, met de waterpokken, […] met orthopedische schoentjes, […] met speelvriendjes. […] Dit wringt met de liefde die ik voor mijn kinderen voel […].’ Andrea wordt overspoeld door tegenstrijdige gevoelens. Ondertussen appt Tjibbe haar voortdurend en vraagt of ze het goed heeft in Helsinki. En haar collega’s betreuren het dat ze ‘ziek’ is en wensen haar beterschap. Ze slaapt en denkt heel wat uren na over zichzelf. Zo constateert ze halverwege het boek dat er ‘een gat in haar wezen zit, ‘zo groot dat ik me afvraag hoe ik zo lang heb kunnen functioneren in mijn leven.’ Die zelfanalyse vangt Van Nimwegen in krachtige en overtuigende bewoordingen, waar geen speld tussen te krijgen is.

Ellen de Jong, 2019