Bermann, Paula, 2019

Een leven in bezet Nederland


‘Waarom de dagboeken van Paula Bermann nu, zeven decennia na het einde van de Tweede Wereldoorlog, nog lezen?’ Deze vraag stelt Arnon Grunberg zich in zijn woord vooraf in ‘Deze ontspoorde wereld’, de nalatenschap van een vrouw die vijfenveertig was toen Duitsland Nederland binnenviel. Uitgave Balans, samenstelling Elma Drayer.  Grunbergs antwoord hierop: ‘Volkerenmoord mag voor de buitenstaander […] een kwestie van getallen zijn, voor de doden en de overlevenden gaat het om unieke verhalen.’ Paula Bermann (1895-1945) is een degelijke Duits-Joodse vrouw die in de jaren twintig trouwt met de Nederlandse Coen van Es. Ze wonen in het begin van de oorlog met hun dochters Inge en Sonja en zoon Hans in Amsterdam-Zuid. Van 1940-1944 houdt ze een dagboek bij. Grunberg: ‘Op 3 juli 1940 schrijft ze dat ze haar twee oudste kinderen egoïstisch vindt. Alleen Sonja is anders. Over haar man noteert ze op 22 juli 1941 dat hij haar zeer teleurgesteld heeft: ‘Ik had nooit gedacht dat hij na het verlies van zijn baan zo’n menselijk wrak zou worden, […] zonder doortastendheid.’ Dat alles  verandert aan het eind van de onderduik. Dan verzoent ze zich met haar man en blijkt haar liefde voor haar kinderen alomvattend en onvoorwaardelijk. In de toelichting van vertaler J.H. Winkelman wordt duidelijk dat de familie Van Es na de oorlog in het bezit was van een in het Duits geschreven oorlogsdagboek. Het was van hun Joodse moeder Paula Bermann. De familie kon het ‘Kurrentschrift’ niet ontcijferen. Na toestemming van Paula’s kinderen, die de oorlog overleefden, besloot hij het dagboek leesbaar te maken. Maar ze gaven geen toestemming tot publicatie, de wonden waren nog te vers. Later stemden de kleinkinderen toe en werd het uitgegeven met foto’s. Paula blijkt zeer plichtsgetrouw, ze doet het huishouden tot in de puntjes. Ook de opvoeding van de kinderen met háár normen en waarden neemt ze serieus. Ze botst regelmatig met Hans en Inge die van het leven willen genieten en avontuurlijk zijn. ‘Ja, wie ben ik eigenlijk’, vraagt ze zich af. ‘Vastgeroest, niet in staat van het moment te genieten zoals het zich aan mij voordoet.’ Het doet haar pijn dat de twee oudste kinderen zich van haar afkeren omdat ze Duitse is. In hun ogen is ze ‘een walgelijke moffin.’ Maar het eten moet wel klaarstaan, ‘daar is deze moffin goed genoeg voor.’ Haar man treedt niet op, alleen Sonja voelt haar aan. Op een dag was Paula alleen met Sonja thuis toen er gebeld werd. Iemand zei: die en die Joden zijn net opgepakt. ‘Het was alsof mijn keel werd dichtgeknepen. […] Ik vermande me en liet Sonja koffers pakken, het allernoodzakelijkste. […] Vluchten, […] nu moet je beslissen.’ Paula, haar man en Sonja duiken onder bij een gezin van een beroepsmilitair in Jutphaas. Hans en Inge zijn intussen ook ondergedoken. Paula beschrijft hoe leeg en lang de dagen zijn. Naast lezen en breien heeft ze niets te doen. Regelmatig verlangt ze naar de dood, ‘maar ach de kinderen.’ In maart 1944, kort voor de bevrijding worden ze verraden en op transport gesteld naar Bergen-Belsen. Coen overleed aan tyfus, zes dagen later werd Paula met doorgesneden polsen gevonden in de sneeuw.

Ellen de Jong 2019