Hofstede, Bregje 2019

Een meeslepende liefdesgeschiedenis

Bregje Hofstede (1988) debuteerde met ‘De hemel boven Parijs’. In haar roman ‘Drift’, uitgave Das Mag, verlaat verteller en schrijver Bregje op een winternacht haar man Luc, na tien jaar huwelijk. In haar rugtas stopt ze als eerste haar dagboek en diverse schriftjes: ‘Met elk boekje dat in de tas verdween werd duidelijker welk deel van mij ik uit dit huis wilde weghalen: niet alleen de laatste maanden, maar het afgelopen jaar en tenslotte alle jaren die we samen hebben doorgebracht […].’ Hofstede doet in de veertig dagen die  volgen verslag van haar leven met Luc. Opgebouwd uit terugblikken, bespiegelingen en dagboeken. Delen van ‘De welp’, gebaseerd op een beladen jeugd, zijn in de roman verwerkt, namelijk als debuutroman van het personage Hofstede. Bregje gaat de veertig dagen dat ze rondzwerft van Airbnb naar een hotel of logeerzolder en overdenkt op Dag 2: ‘Ik heb geen plan, geen onderkomen, en geen idee hoe ik plotseling door de mazen van mijn eigen leven ben gevallen.’ Tegen Luc heeft ze gezegd dat ze tijd en ruimte nodig heeft. Ze leerde hem op het gymnasium kennen, en ze viel vooral op zijn knappe uiterlijk. Ze schreef hem liefdesbrieven, in prachtige zinnen. Luc was, bleek al snel, niet gevoelig voor haar schrijfsels. Hij las haar debuut niet, en dat was inmiddels zes maanden geleden. Voorin schreef ze: ‘Hoe vaak vroeg je wel niet: waar zit je met je hoofd? Het antwoord heb je nu in handen, […].’ Was er toen al iets mis? Bregje werkt in Brussel bij een veilinghuis, afdeling Toegepaste Kunst, waar ze leert dat je een object zeer precies moet beschrijven zodat de waarde ervan stijgt. Met diezelfde nauwkeurigheid beschrijft ze onder meer de knallende ruzies met Luc, maar ook hun seksuele genoegens, want die zijn nummer één in hun verhouding. In feite passen ze niet goed bij elkaar, ze beknotten en verstikken elkaar en delen vooral ‘gouden goedmaakseks’: ‘Al zijn onze lichamen nog zo vaak zo innig met elkaar, onze geesten zijn onherroepelijk gescheiden en hebben elkaar zelfs nog nooit ontmoet.’ Tegelijkertijd wordt de ‘ik’ op de bladzijde me steeds vreemder. […] ‘Ik vraag me af, als ik nu terug zou gaan - […] - of dan de tijd opnieuw de juiste kant op zou gaan lopen. Of ik dan al te veel kapotgemaakt heb.’ Toen Bregje een stageplaats in New York kreeg aangeboden, wat ze graag wilde, ontplofte Luc. Ze ging niet. ‘Ik had voet bij stuk kunnen houden. […] Ik moet steeds dromen inslikken, ik ben er misselijk van. […] Ik wil ze allebei naast elkaar laten bestaan: de liefdevolle scènes in de gloed van onze toekomst samen, en, genesteld in die gloed, het onafwendbare einde dat, juist omdat het zich al zo lang had aangekondigd, niet helemaal mijn schuld kan zijn.’ Als Luc op een dag in haar dagboek leest is het hek van de dam…Bregje concludeert dat het schrijven een breekpunt is geworden in hun relatie. Het dreef een wig tussen hen, terwijl het voor haar een houvast betekende. Wat een rauwe, meeslepende liefdesgeschiedenis, liefdevol maar tegelijkertijd genadeloos, in een goed doordachte woordkeuze opgetekend.

Ellen de Jong  2019