Iperen van, Roxane 2019

De uitzonderlijke geschiedenis van ’t Hooge Nest


‘Zodra we het bospad op rijden en het huis zich tussen de bomen aan ons openbaart, zijn we verkocht.’ De villa, verscholen in de bossen van ’t Gooi, heet ’t Hooge Nest. ‘Het ademt geschiedenis en grandeur.’ In de nazomer van 2012 betrekken jurist en auteur Roxane van Iperen (1976), haar man en drie kinderen een stacaravan in de tuin van ‘t Hooge Nest en beginnen aan de renovatie van het bijzondere pand. Ze ontdekken luiken in de vloeren en schuilplekken en treffen er ‘oude verzetskrantjes, kaarsstompen en bladmuziek. Zo begint ook de reconstructie van de geschiedenis van ’t Hooge Nest die ‘een belangrijk deel van ons oorlogsverleden omvat, dat onder een breed publiek onbekend is - zelfs in de omgeving van het huis’, aldus van Iperen in het voorwoord van haar boek: ‘t Hooge Nest’. Uitgave Lebowski Publishers. Ze ondervraagt allerlei mensen uit de omgeving, duikt in archieven en kadasters en ‘valt van de ene verbazing in de andere. Op het hoogtepunt van de Tweede Wereldoorlog als de treinen richting de concentratiekampen met volle capaciteit rijden […], wordt in ’t Hooge Nest door twee joodse zussen een groot onderduik- en verzetscentrum gerund. [..] Van Iperen leert de nazaten van de onderduikers kennen die haar persoonlijke documenten geven en haar verhalen vertellen zodat ze de zussen ‘een stem kan geven. Het is een geschiedenis die mijn allereerste gevoel bevestigt: dit huis is groter dan wij zijn. Wij zijn slechts de passanten die het geluk hebben het te mogen bewonen.’
Verhaal
Janny (1916-2003) en Lien Brilleslijper (1912-1988) vluchten uit Amsterdam naar ’t Hooge Nest dat ze toevallig ontdekken. Ze zorgen ervoor dat de villa in korte tijd veel onderduikers kan herbergen. De zussen trouwen: Janny met Bob, die niet joods is, en Lien met de Duitse Eberhard. Ze krijgen al snel kinderen. Van Iperen beschrijft de eerste razzia’s op 22 en 23 februari 1941 in Amsterdam, waarbij ook vrienden van hen gearresteerd worden. De zussen werken in het verzet, Janny begint een ondergrondse drukkerij waar ze onder meer persoonsbewijzen vervalst. Van Iperen verhaalt hoe in 1942 de treinen vanuit heel Europa beginnen te rijden en de stap naar een grootschalige, machinale aanpak nog maar een kleine is. De grond onder de voeten van familie Brilleslijper wordt heet, te heet als er regelmatig incidenten plaatsvinden, waarbij Janny of een ander familielid maar net de dans ontspringt. Ze gaan een ingenieus alarmsysteem aanleggen en voor een raam vlak boven het naambord van het huis zetten ze een grote Chinese vaas. Als die voor het raam staat is de kust veilig. Is de vaas weg, dan is dat het teken van onraad. Op een dag worden ze verraden. De kinderen worden ondergebracht. De rest van de familie wordt korte tijd later op transport gezet naar Westerbork en vervolgens naar Auschwitz. Het was de laatste trein naar Auschwitz die Westerbork de volgende ochtend zou verlaten. In de nacht van 5 op 6 september 1944 komt de familie in Auschwitz aan. In Nederland worden vlaggen van de zolder gehaald ‘omdat men verwacht nu ieder moment de bevrijders te kunnen onthalen.’ Van Iperen beschrijft de onvoorstelbaar onmenselijke toestanden waaronder men moet zien te overleven. Janny en Lien zijn gelukkig bij elkaar en spreken elkaar moed in, al zijn ze ‘afgepeld, laag voor laag, als een ui, tot er niets over was dan de kern van hun bestaan.’ In Bergen-Belsen worden ze 15 april 1945 door de Engelsen bevrijd. Van Iperen die zes jaar over het boek deed, zocht contact met experts, biografen, nabestaanden en vrienden en kreeg verhalen toevertrouwd ‘die een scriptschrijver niet zou kunnen verzinnen. […]Uit de eigengereidheid, moed en humor van de zussen Brilleslijper kan ik een leven lang putten.’ Indrukwekkend hoe ze de algemene geschiedenis vloeiend combineert met de uitzonderlijke persoonlijke verhalen.    

Ellen de Jong 2019