Van Es, Bart 2018

Wat het onderduiken met iemand doet


‘Zonder familie heb je geen verhalen’. Dat zegt Lien(tje) tegen Bart van Es (1972), hoogleraar Engelse Letterkunde, die onderzoek deed naar Joodse onderduikkinderen die zijn grootouders van vaders kant herbergden. Lien was er een van. Van Es kwam er achter dat ze nog leefde en hij zocht haar op in Amsterdam. Lien was inmiddels 80 jaar. In zijn boek ‘Ver-geet-mij-niet’ met als ondertitel ‘Over het verborgen leven van een Joods meisje’, met foto’s en brieven, volgen we haar levensloop. Uitgave De Bezige Bij, vertaling René van Veen. In 1942 werd de achtjarige Lientje vanuit Den Haag bij Van Es’ grootouders in Dordrecht ondergebracht. In een brief schrijven haar vader en moeder ‘dat ze hopen dat ze als een vader en moeder naar beste willen en weten voor hun enig kind zullen zorgen […].’ Na Dordrecht kwam Lientje van het ene pleeggezin in het andere terecht. Bij Van Es’ grootouders voelde ze zich het meeste thuis. ‘[…] het huis dat ze nadien altijd als haar veilige onderkomen zal beschouwen, is Bilderdijkstraat 10, de woning van Jans en Henk van Es. In eerdere pleeggezinnen voelde ze zich lang niet altijd op haar gemak, ze werd nogal eens gebruikt als dienstmeid en door mannen seksueel misbruikt. Maar ze gaf nooit een kik, ze paste zich aan. Ze verdringt ook de gedachte aan haar ouders, hoe het met ze gaat en of ze nog leven. Ze schrijft wel een verjaardagsbrief aan haar moeder. Haar tante verzwijgt dat de envelop ongeopend retour kwam. Als Lien een brief aan haar vader wil schrijven voor zijn verjaardag op 10 december, ‘moet tante haar wel vertellen dat er geen adres meer is waar ze die heen kunnen sturen, dat haar ouders hun papieren verloren zijn. ‘Die middag is het stil in de keuken. Lien gaat er in een hoekje zitten.’ Ruim halverwege het boek blijkt dan Van Es’ oma (voor Lientje tante) het contact met haar verbrak. Later in het verhaal wordt duidelijk waarom…Maar zover is het nog niet. ‘Ze denkt niet na over de oorlog of over vriend of vijand. Ze denkt ook nooit aan haar ouders’, (ze kwamen in 1942 om in Auschwitz) ‘en trouwens ook niet aan andere mensen met wie ze een band heeft en die misschien ook nog ergens op de wijde wereld zijn.’ Als de oorlog afgelopen is wil Lintje terug naar familie Van Es waar ze zich zo goed voelde. Ze weigeren: ‘In Lientjes geest heeft zich een afgrond geopend en ze staart nietszeggend  voor zich uit, met panisch vertrokken mond. Het is alsof ze naar het middelpunt van de aarde valt.’ Later zeiden ze volmondig: ja. ‘Toch had dat eerste antwoord schade toegebracht aan iets waardevols.’ Maar het leven gaat door. Lien gaat trouwen en krijgt kinderen maar ze is niet gelukkig. ‘Ze vraagt zich af wie ze eigenlijk is, waar ze thuis hoort  en wat haar overtuigingen zijn. Ze draagt een duisternis met zich mee.’ Het is een schokkend boek waarin Van Es vooral de klemtoon legt op wat het onderduiken met iemand doet. En dat na de oorlog de teneur was: laten we het er maar niet meer over hebben, met alle schadelijke gevolgen vandien.
\
Ellen de Jong   2018