Updike, John 2018

Een heel bijzonder portret van een afbrokkelend huwelijk

Na dertig jaar niet leverbaar te zijn geweest is een herziene vertaling verschenen van een van de bekendste boeken van de Amerikaanse schrijver John Updike (1932-2009): ‘Je minnaar belde net’. Uitgave Brooklyn. Vertaling: Tineke Funhoff, Willem van Toorn en Jan Donkers. Updike won talloze literaire prijzen. Het is het verhaal van Richard en Joan Maples en het beschrijft in grote lijnen hun huwelijk dat ruim twintig jaar lang gespannen en bizar was. Tot het uiteen viel in scherven. Maar voor het zover was vochten ze wel voor hun verbintenis, temeer daar ze vier kinderen hebben van wie ze veel houden. Toch kunnen ze het niet laten beiden regelmatig overspel te plegen. Updike beschrijft de ups en downs in hun huwelijk en hun heen en weer schommelende emoties. Als ze op een dag bloed moeten afgeven is Richard ontroerd en zegt tegen haar: ‘Hé, ik hield van je, daar in die bloedkamer.’ Toch praten ze lang over een scheiding: ‘Want hun gesprekken, die steeds ambivalenter en meedogenlozer werden naarmate de beschuldigingen en het weer intrekken ervan, slag en liefkozing, elkaar langer bleven afwisselen en opheffen, hadden uiteindelijk tot gevolg dat ze steeds hechter aaneengebonden werden in een pijnlijke, hulpeloze, vernederende intimiteit. […] Hun liefdesleven bleef doorgaan, […] Bloedend, verminkt, keer op keer plechtig ten grave gedragen, was hun huwelijk niet in staat te sterven.’ Ze gaan op reis naar Rome. Maar al hebben ze het daar goed samen: ‘Hun huwelijk liet los als een te groot geworden wingerd waarvan de halfverborgen stam in de schemering door een oude hovenier was doorgehakt.’ Ze sporen op veel vlakken niet en al helemaal niet op seksueel gebied. Ze krijgen de ene minnaar na de andere. Ze maken er ruzie over hoewel ze van elkaar weten met wie ze vreemdgaan. Updike beschrijft heel wat heftige scènes die zich tussen hen afspelen. Joan noemt een man die ze leuk vindt en zegt tegen Richard: ‘Hij vindt me mooi. Hij geeft om me op een manier die ik bij jou mis. […] Bij  jou voel ik me een lelijk sloofje.[…] In een wanhopige poging om het initiatief in handen te houden zegt ze: Ga maar van me scheiden. Sla me maar.’ Joan vervolgt en zegt dat ze de pest heeft aan zijn egoïstische karakter en dat het seksueel ook ‘belazerd’ tussen hen is, maar dat ze zich nooit alleen heeft gevoeld bij hem: ‘Ik heb me nooit een minuut alleen gevoeld als jij in de kamer was.’ Het boek staat bol van dit soort passages, waarbij je als lezer voortdurend heen en weer geslingerd wordt evenals de Maples zelf. Richard vertrekt naar Boston met pijn in zijn hart omdat hij de kinderen gaat missen. Joan wil op een gegeven moment dat hij weer terugkomt maar dat gebeurt niet. Het huwelijk is ontwricht al memoreert Richard dat ‘al die minnaars, hoeveel we ook van ze houden, niet wij zijn, niet geheiligd zoals de werkelijkheid geheiligd is. Wij zijn de werkelijkheid. Wij hebben kinderen gemaakt. Wij hebben onze jonge lichamen aan elkaar gegeven. We hebben beloofd samen oud te worden.’ Ondanks deze overdenkingen is de scheiding een feit. In het nawoord schrijft Jan Donkers: ‘John Updike schreef, in de persoon van Richard Maple, over zichzelf. […] Zijn wild heen en weer slingerende emoties aangaande Joan, zijn hunkering haar te verlaten en zijn chronische liefde voor haar; de scheuten van seksueel verlangen die hij in haar nabijheid ervaart, zelfs wanneer hun huwelijk in puin ligt; de bittere frustratie; de weerzin - dit ligt allemaal dicht bij huis.’ Het is een heel uitzonderlijk portret van een afbrokkelend huwelijk: bitter en toch liefderijk. En met de nodige humor fabelachtig in kaart gebracht.

Ellen de Jong    2018