Geurts, Elke 2018

‘Ik nog wel van jou’: Huiveringwekkende roman die verslag doet van een afbrokkelend huwelijk

‘Dit boek is een langgerekt nulpunt. Een wormgat. We zitten in het vacuüm tussen getrouwd en niet-getrouwd […] We zijn in die mysterieuze bodemloze put gevallen waarvan we niet weten wat er precies gebeurt.’ In ‘Ik nog wel van jou’ van Elke Geurts (1973), uitgave Lebowski, beschrijft zij dat schrijfster E., de ik-figuur in het boek, te horen krijgt van ‘man’, zo noemt ze hem, dat hij niet meer van haar houdt: ‘Man heeft zich van mij afgeworpen’, na vierentwintig jaar huwelijk. Zij, veertiger en vijftiger, hebben twee meisjes en ze gelooft niet dat haar man haar kwijt wil, ze is totaal verbijsterd. E. is docent fictieschrijven en ze schrijft regelmatig blogstukjes over haar huwelijk, om zodoende grip te krijgen op de hachelijke situatie waarin ze zich bevindt. Het gezin woont in de Amsterdamse nieuwbouwwijk IJburg  en schrijft Geurts, (die ook columnist voor Trouw is): ‘We waren al zo lang bij elkaar, we deelden dezelfde interesses, normen, waarden […] we vormden met onze meisjes een hecht en harmonieus gezin, hij zou nooit zomaar uit ons systeem stappen.’ Man blijft na zijn mededeling gewoon bij zijn vrouw en dochters wonen. Ze drinken samen een wijntje, en slapen ook nog bij elkaar in bed. E. blijft geloven dat het nog goed zal komen en ze probeert dag in, dag uit zo dicht mogelijk bij man te komen, maar alles wat hij wilde was ‘weg van mij.’ Ze merkt wel dat man af en toe twijfelt en ze probeert in haar blogstukjes die twijfel, en de angst voor het uiteenvallen van haar gezin, met de taal te bezweren. E. stelt naar verloop van tijd man een ultimatum. Als hij niet wil proberen om bij elkaar te blijven zal ze een echtscheidingsprocedure beginnen. ‘Twee weken lang was alles goed. De flessen wijn plopten elke avond open, ik kocht coquilles, smeerde toastjes, de meisjes en ik bakten appeltaart om papa te verrassen, […] en als de kinderen in bed lagen keken man en ik films van Woody Allen, viel ik halverwege in slaap met mijn hoofd op zijn schoot, en daarna liepen we hand in hand naar boven.’ Toch gaat hij in het huis van zijn zus logeren: ‘even kijken wat er in mij leeft […] Het ging nu toch juist al weken goed? […] Waarom ging je dan niet eerder? […] Ik wilde het gezin niet verlaten. Mij wel? Ik hou niet meer van je.’ Na een dag lesgeven fietst E. over de brug en de dijk: ‘Het gat in mij was zo groot dat de wind er dwars doorheen waaide.’ Ze moest wennen aan de nieuwe werkelijkheid: ‘Maar zover ik het kon zien was de nieuwe werkelijkheid alleen maar een geschonden iets. Het was tot stand gebracht en had jarenlang dienstgedaan, maar in scherven - tenzij die gelijmd konden worden - diende het nergens toe.’ Gelukkig had ze de taal nog om greep te krijgen op de werkelijkheid en die de baas te worden door er een verhaal van te maken. Het is een ijzingwekkende roman - ‘die heel dicht tegen de werkelijkheid aan schuurt’, aldus Geurts in Trouw - die verslag doet van een afbrokkelend huwelijk, met tal van pijnlijke, haarscherp geschreven dialogen en scènes, die duidelijk maken wat een kwelling het leven van schrijfster E. is. Ik sluit me aan bij de woorden van auteur Saskia Noort voor op de cover van het boek: ‘Nooit eerder las ik een boek dat zo pijnlijk blootlegt hoe vernietigend liefdesverdriet is.’

Ellen de Jong  2018