Strout, Elizabeth 2018

Ik heet Lucy Barton’: een roman vol compassie

Elizabeth Strouts roman ‘Olive Kitteridge’ werd in 2009 met de Pulitzerprijs bekroond. ‘Ik heet Lucy Barton’ beleefde een vijfde druk in 2017. Uitgave: Atlas Contact, vertaling Barbara de Lange. Lucy Barton moest met complicaties na een blindedarmoperatie negen weken in een ziekenhuis in New York blijven. Zij is getrouwd met William en ze heeft twee dochtertjes. William kan het niet aan zijn vrouw daar te bezoeken. Hij had een hekel aan ziekenhuizen toen hij veertien was, was zijn vader er gestorven. Wie er tot Lucy’s grote verbazing plotseling wel voor haar bed staat is haar moeder. Lucy heeft haar in geen jaren gezien. Ze is totaal vervreemd van haar en van haar vader, broer en zus. Lucy’s verhaal, door Strout geschreven in het heden, speelt zich af in de jaren tachtig: in vijf dagen en nachten die haar moeder bij haar bed zit. Ze praten over van alles: over Lucy’s wonderlijke broer die geen baan heeft en ’s nachts bij de dieren slaapt, over de verpleegsters, en over de attente joodse dokter die elke dag langskomt. En over allerlei mensen die ze vroeger heeft gekend. Lucy’s vader werkte met landbouwmachines, haar moeder deed thuis naaiwerk. Ze woonden in een boerendorp in Illinois en ze waren zeer arm. Lucy was vaak uitgehongerd en ze werd af en toe onverwachts in aanwezigheid van haar vader door haar moeder hard geslagen. Er waren geen boeken, kranten of tijdschriften in huis en ook geen televisie. Lucy voelde zich een buitenbeentje en ze had geen idee hoe ze eruit zag: 
[…] ‘als er in huis alleen een piepklein spiegeltje hoog boven het aanrecht in de keuken hangt, […] maar je moeder alleen, als je borsten groter worden, tegen je zegt dat je begint te lijken op een van de koeien uit de stal […].’ Zij en haar zus waren zonderlingen, ze werden veracht en hadden geen vrienden. Tot Lucy’s elfde jaar woonde het gezin in een garage waar het altijd koud was. Ze bleef op school, na de les, om het warm te hebben. En om te lezen. Toen ze in groep vijf een boek las, wilde ze er zelf een schrijven. Na de middelbare school werd ze uitgenodigd om te gaan studeren in Chicago. Ze gaat trouwen en haar familie was niet bij haar huwelijk en tot op de dag dat haar moeder aan het voeteneinde van haar ziekenhuisbed verscheen, had ze niemand van haar familie meer gezien. Moeder en dochter praten niet over Lucy’s jeugd met tal van verschrikkingen, als het opgesloten worden in de pick-uptruck van haar vader terwijl er een lange bruine slang aan haar voeten kronkelde. En ook niet over haar huwelijk (dat later mislukte), en zelfs niet over het feit dat ze een succesvol auteur was geworden. Ondanks dat was ze eenzaam: ‘Eenzaamheid was de eerste smaak die ik in mijn leven had geproefd, en ze was er altijd, verstopt in de groeven van mijn mond, om me niet te laten vergeten.’ En het is die eenzaamheid die maakt dat ze boeken ging schrijven. Dan voelde ze zich minder alleen. Lucy is ondanks alles blij om met haar moeder te praten, alleen al haar stem te horen was genoeg. Zelfs toen haar moeder geen antwoord gaf op Lucy’s vraag: ‘Hou je van me, mama?’ Van een echte toenadering in die vijf dagen is geen sprake en later ook niet…Strouts boek telt maar 173 pagina’s, tussen de regels door gebeurt er echter nog heel veel meer. Het is zo vol compassie en in zo’n zuivere taal geschreven dat ik tegen het einde een paar keer moest slikken.

Ellen de Jong  2018