Verbogt, Thomas 2017

Herinneringen, weemoed en melancholie voeren de boventoon in ‘Hoe alles moest beginnen’

Thomas Verbogt (1952) schreef vele romans, verhalenbundels en toneelstukken. Evenals in de roman ‘Als de winter voorbij is’- genomineerd voor de Libris literatuurprijs 2016 - kijkt Verbogt in zijn onlangs verschenen roman ‘Hoe alles moest beginnen’ terug op het verleden. Uitgave: Nieuw Amsterdam. De jonge Thomas en Licia, zijn buurmeisje, hebben iets speciaals met elkaar. Ze leven in een fantasiewereld, ‘in een verzonnen leven.’ Het reële leven wantrouwen ze. Beiden hebben in hun jeugd een trauma meegemaakt. Thomas is na een ziekte verlamd geraakt en ging bijna dood. Gelukkig herstelt hij. Licia verliest haar moeder op een zeer dramatische wijze. Thomas en Licia lopen samen vaak door het park en langs de rivier in de buurt van Nijmegen waar ze wonen. Hand in hand als de herfst op zijn mooist is. Ze zijn alleen op elkaar betrokken. Als ze aan de baai, aan rand van de polder zitten, voeren ze gesprekken die Verbogt in subtiele bewoordingen weet te vatten: ‘Weet je dat het licht kan regenen?’, vraagt Licia aan Thomas. […] Het kan alleen maar als er geen andere mensen zijn […] Alleen ik. En jij natuurlijk. Jij en ik. Je kunt het nauwelijks zien. Je voelt het alleen maar. Van binnen. Voel je het? Nu?’ En overdenkt Verbogt: ‘De regen van licht hoorde ook bij die jaren. Die regen bestond, omdat zij erover begon. Denkend aan die tijd besef ik telkens weer dat we nooit een vraagteken plaatsten bij wat we verzonnen.’ Verbogt blikt regelmatig terug: […] ‘we lopen door onze oude buurt, Licia en ik, we zijn zes jaar of acht of twaalf […] Het is net of ik er nooit ben weggeweest, of die tijd nooit is opgehouden, of die tijd de enige is die er echt toe deed.’ Licia vertrekt naar Italië met haar vader en zijn nieuwe vriendin. Als ze weggaat zegt ze tegen Thomas: ‘Je weet waar ik ben, maar ik ben weg, ver weg. Alles is afgelopen.’ Verbogt beschrijft met een groot gevoel voor empathie hoe Thomas lijdt om haar afwezigheid en hun verdwenen fantasiewereld. Als hij Licia in Italië opzoekt is er geen warmte meer tussen hen: ‘Wat ik vooral denk, is dat ik haar niet meer ken. Dat blijft er over, dat blijft er over van ons, geloof ik: dat ik haar niet meer ken.’ Toch zegt hij: ‘Lief’ en nog eens ‘Lief’ als hij afscheid van haar neemt. Thomas’ fantasie en het schrijven van boeken houden hem overeind. ‘Ik kan beter verzinnen dan leven.’ Spreekt hier wellicht en ook elders in de roman Verbogt zelf? Als ze bijna veertig zijn zien ze elkaar weer, ze zijn uit elkaar gegroeid, toch voelen ze beiden hun band uit het verleden. Als ze in de zestig zijn ontmoeten ze elkaar opnieuw. Ze lopen door hun oude buurt. Welke innige herinneringen, maar ook intens droevige, roepen die bij hen op? In een sobere, maar uiterst gevoelige schrijfstijl laat Verbogt heden en verleden - waarin herinneringen, weemoed en melancholie de boventoon voeren - vloeiend in elkaar overlopen.

Ellen de Jong   2017