Mantel, Hilary 2017

Het ontluisterende leven van Frances Shore

In ‘Acht maanden in De Gazastraat’ van Hilary Mantel (1952) gebruikt ze ‘haar eigen ervaringen uit de tijd dat ze met haar man in Saoedi-Arabië woonde. Mantel schreef deze roman in 1988, bijna dertig jaar geleden.’ Uitgave Atlas Contact, vertaling  Harm Damsma en Niek Miedema. Nadat het echtpaar Andrew en Frances Shore een aantal jaren in Zuid-Afrika hadden gewoond en gewerkt, besloten ze naar Saoedi-Arabië te gaan. De drieëndertigjarige Andrew kon in Djedda een goed betaalde baan krijgen als manager van een omvangrijk bouwproject. Frances die cartografe is zal haar beroep niet uit kunnen oefenen. Ze is daar slechts ‘de vrouw’ van. Ze betrekken een appartementencomplex buiten de expat-compound. Frances komt er snel achter dat niemand in De Gazastraat  een praatje met elkaar maakt, dat buren elkaar van gezicht kennen, ‘van zo nu en dan een glimp op het balkon of het platte dak’, en dat de vrouwen door de telefoon met elkaar praten.’ Ze zitten binnen, achter gordijnen van ‘gebreide havermoutpap.’ Zowel Andrew als Frances ondervinden dat ze door de Saoedi’s slechts geduld worden. Ze hebben Westerse vakmensen nodig, maar ze geven dat nooit toe. Vooral Frances heeft het zwaar. Ze voelt zich totaal geïsoleerd en gefrustreerd, temeer als blijkt dat de hele flat ommuurd is. Om wat te doen te hebben beginnen ze hun eigen drank te stoken, die ze schenken als er feestavondjes met andere expats gevierd worden. Ze moeten het zo aangenaam mogelijk hebben in het ‘Koninkrijk’! Tot ongenoegen van andere Westerlingen gaat Frances om met Saoedische vrouwen. Vooral met Yasmin en Shamira heeft ze contact, hoewel ze voelt dat beide vrouwen iets verbergen. Verder is ze afgesneden van contacten en vrijheden buitenshuis. Ze gaat een dagboek bijhouden waarin ze haar nood klaagt. Om een frisse neus te halen en uitzicht te hebben op de rest van de wereld gaat ze vaak het dak op. En daar gebeurt van alles …, dingen die het daglicht niet kunnen verdragen en haar angst inboezemen. Ook een lege flat obsedeert haar. Mantel schrijft in sneltreinvaart over de stad Djebba, ‘een eeuwige bouwput’ vol gruis, en hun leven daar. Andrew sluit zijn ogen voor allerlei wantoestanden, want hij wil snel geld verdienen voor het te laat is. Hij raadt Frances aan zich aan te passen, binnen te blijven, in haar eigen wereld te leven. Ze wil dat niet en dat leidt tot wrijvingen tussen hen. Naarmate de maanden verstrijken wordt de sfeer er niet beter op en gebeuren er steeds meer dingen waar Frances de vinger niet op kan leggen. Wat vindt er plaats in die lege flat? Met welke zaken houdt Yasmin en ook haar man zich bezig? Angst houdt Frances in haar greep, bovendien zijn er geruchten over ontslagen en mensen die zonder enige reden op straat worden gezet. Wat hangt Andrew en haar boven het hoofd? Als ze haar spiegelbeeld  ziet constateert ze: ‘Mijn gezicht is zwart, met diepe schaduwen en holle ogen, en een flets, rommelig aureool omkranst mijn hoofd. Ik ben mijn eigen negatief geworden.’

In tegenstelling tot het pósitieve vakmanschap van Mantel. In het bijzonder wat betreft de schildering van het ontluisterende leven dat Frances leidt: dag in, dag uit.

Ellen de Jong  2017