Wohlleben Peter 2017

Door de bomen zien we het bos weer

Toen de Duitse Peter Wohlleben (1964) zijn loopbaan als houtvester begon wist hij ‘ongeveer evenveel van het verborgen leven van bomen als een slager van de gevoelens van dieren.’ Hij kapte bomen omdat ze oud waren en plantte nieuwe boompjes, die immers de ruimte moeten hebben. Later kwam hij tot nieuwe inzichten omdat hij zich ging verdiepen in de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en werd hij zich bewust van het onnatuurlijk bosbeleid. ‘Als je weet dat bomen pijn kunnen lijden, een geheugen hebben en dat bomenouders met hun kinderen samenleven, dan kun je ze niet meer zo gemakkelijk omhakken en met grote machines tussen ze door graven. ‘In het verborgen leven van bomen’, Bruna Uitgevers, vertaling Bonella van Beusekom, vertelt Wohlleben over het fascinerende oerbos waarin de bomen sociale wezens blijken te zijn. Ze communiceren met elkaar, delen hun voeding met soortgenoten, en zieke exemplaren worden zelfs ondersteund en voorzien van voedingsstoffen tot het weer beter met hen gaat. Elke boom is dus waardevol voor de gemeenschap die ze samen vormen en verdient het dus zo lang mogelijk behouden te blijven. Evenals bij menselijke samenlevingen geldt: Samen sta je sterker en dus helpen ze hun kinderen en ook ouderen. En ze waarschuwen en beschermen elkaar voor gevaar. In het hoofdstuk ‘De taal der bomen’ leren we dat wij mensen over een geheime geurtaal beschikken en bomen ook: ‘Als bijvoorbeeld de wortels problemen ondervinden, wordt die informatie door de hele boom verspreid, waarna de bladeren geurstoffen afgeven. En dat zijn niet zomaar geurstoffen, ze zijn speciaal op de situatie afgestemd. Dat is een extra eigenschap die hem de komende dagen helpt om een aanval af te weren, want ze herkennen bij veel insectensoorten om welke boosdoener het gaat.’  Schimmels hebben een belangrijke functie, aldus Wohlleben, want ze garanderen dat er ‘nieuwtjes’ worden verspreid: ’Door zijn leidingen geeft hij signalen van de ene boom door naar de andere en helpt hen boodschappen over insecten, droogte en andere gevaren uit te wisselen. Intussen spreekt zelfs de wetenschap van een wood-wide-web dat door onze bossen heen loopt.’ Wohlleben stelt in zijn boek interessante vragen die hij op een prettige, niet belerende toon, beantwoordt. Vragen als: Is het niet logisch dat een boom beter groeit als hij bevrijd wordt van hinderlijke concurrentie, veel zonlicht in zijn kroon krijgt en de beschikking heeft over een heleboel water rondom zijn wortels? En: Hoe zien de kansen van de boomkinderen eruit om ooit zelf echt groot te worden en kroost te krijgen? En: Waarom vinden we het zoveel moeilijker om planten te begrijpen dan dieren?  Ik noem vervolgens enkele hoofdstukken die Wohlleben in zijn leerzame boek behandelt. ‘Mijn of Dijn?( onder de bomen heerst de wet van de sterkste) ‘Er zij licht’ (om elk zonnestraaltje wordt gevochten), en ‘Straatkinderen’(bomen in parken, tuinen en steden die nooit het ideale klimaat van een bos kunnen beleven). Wohlleben legt de verbanden tussen bomen, dieren en mensen zorgvuldig en begrijpelijk voor de lezer uit. Een voorbeeld: De bast van een boom heeft dezelfde functie als onze opperhuid en is even kwetsbaar. Hij opent onze ogen voor het fantastische bomenrijk en laat ons de gezonde boslucht extra opsnuiven. Als er iets van toepassing is op zijn boek is het wel dat we door de bómen het bós weer zien.

Ellen de Jong   2017