Fallada, Hans 2017

‘Als ik lees, schrijf, werk, ben ik geen gevangene’

De meest recente uitgave van het oeuvre van de Duitse auteur Hans Fallada heeft de veelzeggende titel: ‘Zakelijk bericht over het geluk een morfinist te zijn’. Uitgave Cossee, vertaling Anne Folkertsma. Hans Fallada (pseudoniem Rudolf Ditzen, 1893-1947) behoort tot een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. Hij werd wereldberoemd met zijn romans ‘Wat nu, kleine man?’ en ‘De drinker’, die beide postuum verschenen. Fallada beschrijft in het 91 pagina’s tellende boekje zijn eigen verslaving: tachtig spuiten morfine per dag, daarmee komt hij, hoe dan ook, de dag door. Hij probeert tevergeefs onbeschreven recepten blaadjes te bemachtigen als hij bij de dokter is om een spuit te vragen: ‘Het enige wat telt is het genot, enkel mijn geliefde moet ik trouw blijven.’ Hij gaat ook met cocaïne experimenteren en constateert later: ‘Al zeven jaar lig ik aan de ketenen van de verslaving, nu eens morfine, dan weer cocaïne, ether, alcohol.’ Hij komt in de gevangenis terecht en beschrijft zijn lijdensweg daar. In haar nawoord meldt Folkertsma dat Fallada door de tucht enorm opknapte, ‘ondanks slechte omstandigheden.’ In zijn dagboek schreef hij: ‘Als ik lees, schrijf, werk, ben ik geen gevangene.’

‘De drinker’

‘De drinker’(1950), Fallada’s derde roman, is in een volledig herziene vertaling van Anne Folkertsma, eveneens bij Cossee uitgegeven. Het is het ‘tragikomische, semi-autobiografische verslag van een man op de rand van de afgrond.’ Hoofdpersoon, de eenenveertige Erwin Sommer, is eigenaar van een zaak in landbouwproducten. Hij is getrouwd met Magda en ze zijn kinderloos. De zaken gaan op een gegeven moment niet goed. Hij wil daar met zijn vrouw niet over praten. Tijdens een heftig twistgesprek met haar aan tafel, komt Sommer op het idee om een fles rode wijn uit de kelder te halen als het weer goed is tussen hen. Ze drinken samen, hij anderhalf glas. Hij vroeg zich later af of hij dronken was geweest. ‘Natuurlijk was ik dat niet, want dan zou zowel Magda als ik dat gemerkt moeten hebben. Toch was ik die avond aangeschoten, voor het eerst van mijn leven. […] en had de alcohol de hele wereld voor me veranderd.’ Sommer, en Magda vervreemden van elkaar, daar hij steeds meer in de greep van de drank raakt. Hij valt in de armen van een barmeisje en waant zich in de zevende hemel. Het meisje is slechts uit op zijn geld. Een Poolse kamerverhuurder licht hem genadeloos op en om weer aan geld voor alcohol  te komen breekt hij ten einde raad in zijn eigen huis in. Maar Magda betrapt hem. Ze worstelen en hij wil haar wurgen. Hij komt in de gevangenis terecht wegens poging tot moord op zijn echtgenote. Fallada beschrijft de eeuwige honger die hij en zijn celgenoten hebben, de onderlinge ruzies en vechtpartijen die uit de hand lopen. Hij kan de dagen nog enigszins doorkomen als hij hout moet zagen: […] ‘het werk hielp me de symptomen die mijn geheelonthouding met zich meebracht, te overwinnen.’ Van hogerhand wordt besloten dat Sommer overgeplaatst wordt naar een streng bewaakte inrichting […] ‘ook hier tralies en cipiers, ijzeren discipline en blinde gehoorzaamheid; […].’ Het is er erger dan in de gavangenis: ‘Ik ben in de hel…’ Fallada wijdt pagina’s lang uit over de mensonterende toestanden, de ziektes die uitbreken, ‘de onderlinge haat en nijd, de dierlijke onderlinge vijandschap’ en niet te vergeten de homoseksuele escapades in ‘Het dodenhuis’. Op zekere dag krijgt hij te horen dat Magda hem wil spreken. Is er dan toch een kans op vrijlating?  En is tot slot de drank, waar hij in gevangenschap kennelijk buiten kon, uiteindelijk sterker dan hij: Sommer? Een pijnlijk, pakkend boek - geschreven met de hand van een meester, en gelukkig niet gespeend van humor - dat vooral ook laat zien dan Sommer zijn eigen zwakte niet onder stoelen of banken steekt: ‘Ik weet dat ik elke seconde van mijn leven een lafaard ben geweest, […] dat ik altijd een lafaard zal blijven.’

Ellen de Jong  2017