Colette, 2017

De eerste keer dat ik mijn hoed verloor. Een boeiend zelfportret van een briljant schrijfster

Vertaalster Kiki Coumans heeft een Prive-domein samengesteld over het leven van de méér dan een van de meest gelezen Franse schrijfsters uit de 20e eeuw: Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954). ‘Een zelfportret in verhalen’, getiteld: ‘De eerste keer dat ik mijn hoed verloor’. Uitgave: De Arbeiderspers. Colette was een veelzijdig fenomeen en heeft zich niet alleen gemanifesteerd met een zeer omvangrijk en gevarieerd oeuvre, maar ook als journaliste, actrice, pantomimespeelster en als minnares die er in de liefde onconventionele ideeën op na hield. Ik volg Coumans in haar boeiende en uitgebreide inleiding zodat de lezer een zuiver beeld krijgt van ‘de eigenzinnige vrouw die Colette was. Haar leven lang had ze lak aan ‘hoe het hoort’ en meed ze de gebaande paden.’ Ze werd in een Bourgondisch dorpje geboren en ze was de jongste in een gezin van vier kinderen. Ze aanbad haar moeder ‘Sido’ en schreef een boek over haar ‘Sido en ik’. Als kind verlangde ze al naar eenzaamheid en vrijheid. ‘Een belangrijke bron van inspiratie voor haar werk.’ Ze trouwde met de dertien jaar oudere ‘Willy’, die kunstcriticus en toneelschrijver was. Ze vestigde zich met hem in Parijs. Hij bleek niet te vertrouwen en gaf Colettes boeken, de Claudine-reeks, uit onder zijn naam! Ze gaan na tien jaar huwelijk uit elkaar. Om te overleven wordt ze mimespeelster en ze krijgt een lesbische relatie met ‘Missy’, een markiezin. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog ging ze incognito naar Verdun en deed verslag van haar ervaringen. Ze maakte een eind aan de verhouding met ‘Missy’ en trouwt met baron en journalist Henry de Jouvenel. Ze krijgen een dochter, maar Colette was geen ‘toegewijde moeder’. Met de zoon van haar man, Bertrand, kreeg ze een affaire die vijf jaar duurde. Haar derde echtgenoot werd de juwelenhandelaar Maurice Goudeket. Met hem bleef ze samen tot haar dood. Ze reist veel met hem en vooral naar De Provence, een streek waar ze dol op is. Ondertussen schreef ze door aan haar romans en journalistieke werk en werd een bekend en geroemde schrijfster. Haar laatste jaren was ze aan bed gebonden in haar favoriete appartement in het Palais-Royal in Parijs. Ze bleef tot haar dood schrijven. Het wonderlijke is dat ze niet van schrijven hield. Toen het echt niet anders kon, want ze had geen vak geleerd, moest het wel: ‘De dag waarop de noodzaak me een pen in de hand drukte en me in ruil voor de pagina’s die ik had volgeschreven wat geld gaf, besefte ik dat ik elke dag, gestaag, nederig, moest schrijven.’  Van Sido, ‘de hoofdpersoon in mijn hele leven’, leerde ze de liefde voor de natuur en voor dieren, ze had vijftig katten. Ze gebruikte haar zintuigen optimaal en vooral haar reukzin was het best ontwikkeld, vond ze zelf. ‘En de Sparrenbossen. Ze waren niet erg diep of erg geheimzinnig, maar ik hield erg van hun geur, van de roze en paarsige heide die helemaal beneden groeien, en van hun zingen in de wind.’ In een van de laatste regels in Coumans inleiding lezen we: ‘Nooit is Colette erop uit aan de verwachting te voldoen; altijd blijft ze trouw aan haar eigen ervaring […].’ Vervolgens schrijft Colette zélf: over haar ‘Kinderjaren in Saint-Sauveur’, waarin ze gelukkig was en zich richtte op dat wat ‘aanschouwd, beluisterd, bevoeld en opgesnoven kon worden […]. Want er zijn geen woorden, geen krijtjes, geen kleuren waarmee ik, boven een paars leiendak versierd met rossige mossen, de hemel van mijn geboortestreek zou kunnen schilderen zoals die straalde boven mijn kindertijd!’ Daarna volgen hoofdstukken over ‘Eerste jaren in Parijs’, ‘Moederschap en de Grote Oorlog’, De mediterranée en andere windstreken’, en ‘Parijs en het Palais-Royal’. Waar ze ook over schrijft, of het nu over Parijs is waar ze in het Bois du Boulogne haar hoed verloor of over Avignon waar de ‘platanen lispelden, vol in het blad’, ze  geniet ervan, ‘dat ik hier ben en niet ergens anders.’ Colette ten voeten uit: waar ze ook is en wat ze ook doet: ze beleeft het intens, met haar zintuigen wijd open tot het eind van haar leven: ‘De weg van mijn leven is een lange weg, net als de geschiedenis van mijn hart; en mijn instinctieve voorkeur voor de curve en cirkel heeft er op een bijgelovige manier vrede mee. Om te besluiten met haar laatste woorden: ‘ik heb me onderweg in ieder geval goed vermaakt.’
Wat een boeiend zelfportret van een briljant schrijfster!

Ellen de Jong  20170