Skorobogatov, A. 2017

Een kolderieke maalstroom van taal in ‘Cocaïne’ van Aleksandr Skorobogatov

De Russische schrijver Aleksandr Skorobogatov (1963) woont en werkt sinds de jaren negentig in Antwerpen. Hij maakte naam met de romans ‘Portret van een onbekend meisje’ en ‘Sergeant Bertrand’. Bij uitgeverij Cossee verscheen vervolgens ‘Cocaïne’ in een vertaling van Rosemie Vermeulen.
‘Cocaïne toont ons de diepe afgronden en ongekende hoogtes van de fantasie, de onbegrensdheid van de menselijke geest. De roman leest als een wervelende literaire achtbaan in de beste Russische traditie’, aldus de flaptekst. Skorobogatov leefde zich van A-Z uit en speelde een hoog spel met de taal. Hoofdpersoon is de auteur die de wereld wil verbeteren, in eerste instantie met het woord, maar ook met grof geweld. Een verhaallijn ontbreekt. Skorobogatov haalt in een interview de psycholoog Carl Gustav Jung aan, die zei: ‘dat er twee soorten schrijvers zijn, de architecten die alles  mooi op voorhand uittekenen en het dan alleen nog maar moeten uitvoeren en zij die bij het schrijven een autonoom complex tot stand brengen, zoals hij dat noemde: iets dat uit ons onderbewuste voortkomt en net zo onbestuurbaar is als een fobie of de liefde. Hij had een voorkeur voor het tweede en dat is ook mijn afmattende manier van schrijven. Cocaïne is een boek waarvan ik ongelooflijk gelukkig werd terwijl ik eraan bezig was, en waarvan ik nadien dacht: wtf, wat heb ik nu geschreven?’ Het boek staat vol absurde scènes, Skorobogatov schiet van de ene impressie naar de andere, maar wie daar van houdt komt ruimschoots aan zijn/haar trekken. Het volgende is er uit op te maken: De auteur heeft en bizar boek geschreven. Zijn vrouw verlaat hem voor een ander als ze het heeft gelezen. Zijn uitgever vond de roman eerst goed, maar later moest vrijwel alles eruit geknipt, behalve het verhaal over twee konijnen (ze zijn spierwit en sieren met hun neusjes tegen elkaar aan de cover) die midden in het bos in hun hol zitten en plotseling verrast worden door een overstroming. Het water begint gutsend het hol binnen te stromen: ‘En ze omhelzen elkaar en wrijven met hun oren tegen elkaar, terwijl ze niets merken. […] De sigarettenpeuken kwamen bovendrijven, de kindertjes met hun buik omhoog…’ De uitgever zei tegen de auteur: ‘neem dat verhaal en gebruik dat als basis voor een nieuwe roman.’
Er wordt ook flink gedroomd in ‘Cocaïne’, vaak koortsachtig: woorden schieten tekort om ze te benoemen, want er is voor ondergetekende geen touw aan vast te knopen. Maar dat is Skorobogatovs bedoeling ook niet. Je moet als lezer de kolderieke maalstroom van taal waar Skorobogatov geniaal mee speelt over je heen laten komen en net als bij Cocaïne moet je je eraan overleveren. De werkelijkheid is immers niet te vatten in een afgerond verhaal. Een goed voorbeeld van Skorobogatovs grenzenloze verbeelding is als hij het over de persoon Sarah heeft, die geen man en geen vrouw is, maar een stoel die wenst dat de auteur erop plaatsneemt, wat de auteur niet ziet zitten! Skorobogatov laat de auteur de Nobelprijs winnen: verrassend. Hij gaat naar Stockholm en moet een pandjesjas lenen en een toespraak houden. Het wordt een fiasco. In feite is de auteur een eenzame figuur die door niemand begrepen wordt: ‘Toen ik klein was, hunkerde ik hartstochtelijk naar liefde. […] Ik voelde me een ongelukkige jongen. Om mijn fysieke en sociale minderwaardigheid te compenseren, verzon ik allerlei romantische situaties.’ Terecht schrijft Prof.Dr.V.Boerkevitz in zijn Nawoord: ‘Opgeslokt door zijn fantasiewereld, verliest de schrijver zijn greep op de realiteit, en op termijn is hijzelf noch de lezer in staat om fantasie en realiteit uit elkaar te halen, des te meer omdat de onwerkelijke wereld van zijn fantasieën met iedere pagina realistischer wordt. ‘

Ellen de Jong         2017