Eggers, Dave 2017

Helden van de grens: Een vol verve geschreven roman

Van de Amerikaanse auteur Dave Eggers verscheen onder meer ‘De cirkel’. In ‘Helden van de grens’, zijn meest recente roman, uitgave Lebowski Publishers, vertaling Monique ter Berg, Brenda Mudde, Elles Tukker en Maarten van der Werf, doet hij verslag van een wel heel bijzondere reis, die Josie, een veertigjarige vrouw vanuit Ohio waar ze woont, naar Alaska maakt. Samen met haar zoon Paul van acht en dochter Ana van vijf. Josie, die tandarts is, heeft haar man Carl verlaten. Hij is een nietsnut zonder ruggengraat en hij neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn gezin. Terwijl Josie keihard werkt en hij niets uitvoert, ontmoet hij een andere vrouw met wie hij gaat trouwen. Josie besluit met haar kinderen te vertrekken. Ze vliegt naar Anchorage in Alaska en huurt daar een gammele camper die ze De Chateau doopt. Ze wil ‘onzichtbaar’ worden, verdwijnen, ‘geen vast adres’ hebben. Ze vertelt Carl niets en haar kinderen weten niet dat hun moeder en vader definitief uit elkaar zijn. Josie is van plan om haar stiefzus in Homer te bezoeken, verder ziet ze wel waar ze uitkomt. Terwijl ze door de ongerepte natuur van Alaska trekt overdenkt ze haar verleden. Onder meer kan ze niet loskomen van haar schuldgevoel tegenover Jeremy, een patiënt van haar die ze aanmoedigde naar Afghanistan te gaan om er ziekenhuizen en scholen te bouwen: ‘Een halfjaar later was hij dood en ze kon haar medeplichtigheid niet wegpoetsen.’ Zijn ouders wilden na de dood van hun zoon niets meer van Josie weten. Maar ze wilde nu niet aan hem denken, ‘er was hier niets om haar aan Jeremy te herinneren. Nee. Maar kon ze werkelijk herboren worden in een land van bergen en licht?’ Dat moeten we nog maar afwachten. Wel is het zo dat ze zich tijdens de reis met haar twee geweldige kinderen - die Eggers ongelooflijk goed karakteriseert: Paul, de wijze broer die waakt over zijn impulsieve en avontuurlijke zusje - steeds verder verwijderd voelt van haar leven in Ohio. Ze voelde er zich niet meer thuis tussen ‘de paardenstaartvrouwen’, die altijd haast hadden: ‘haast om te gaan trainen, haast om hun kinderen van capoeira op te halen, […] haast om groentekiemen te kopen in de nieuwe, met klimop begroeide biologische buurtsuper […].’ Maar los is ze nog niet van haar leven daar, want  ook Evelyn, een patiënte van haar die een fikse schadeclaim tegen haar indiende, omdat ze een dodelijke tumor over het hoofd had gezien, speelt nog door haar hoofd. En het feit dat haar praktijk naar de knoppen was gegaan. Ondanks het gepieker gaat ze zich vrijer voelen en geniet ze van haar kinderen en het sobere leven dat ze nu leiden, vol afwisseling en gelukkige momenten, die verhevigd worden door de witte en rode wijn die rijkelijk vloeit. Die gelukkige momenten zijn er genoeg: Als ze op een ronde rots aan zee zit ‘welde er geluk in haar op. Ze wilde hier de hele dag, de hele nacht blijven, in het moment blijven zo lang dat was toegestaan.’ En ze bedacht zich dat ‘haar kinderen buiten  moesten zijn, in de ruigte, en dat zij, behalve hun eten geven, verder niets hoefde te doen dan op een ronde rots te zitten en toe te kijken hoe ze dingen opraapten en af en toe weer in zee gooiden.’ En: ‘Het opvoeden van kinderen ging er niet om ze te perfectioneren of klaar te stomen voor een baan. Het ging er alleen om ze een moment in de zon te laten voelen dat iemand van ze hield.’ Nadat ze een paar dagen bij haar stiefzus verbleef waarbij gedachten over haar verslaafde ouders en haar ontvoogding opwelden, en nog even in een ziekenhuis terecht komt, vertrekt ze weer met haar kinderen. Ze sluiten zich bij een muziekgroep aan en ontmoeten allerlei mensen die evenals zij niet meer terugwillen naar de reguliere maatschappij.  Ze maken een bosbrand mee, ze worden bedreigd en ze blijven een tijdje in een boswachtershuis waar ze zich heerlijk voelen. ‘Ze aten als ze honger hadden, sliepen als ze moe waren en hoefden nergens heen. […] kinderen zijn echt een soort diertjes bedacht Josie. Geef ze goed eten, schoon water en frisse lucht, en hun vachtje glanst, hun tanden worden wit, hun huid straalt en hun spieren worden soepel. Binnen worden het alleen maar zelfmutilerende bleekneusjes met allerlei pijntjes die ze zichzelf toebrachten.’ Josie is trots op ze, ‘op hun gezuiverde zieltjes’ en ze waren moedig geworden. ‘En dat was, realiseerde Josie zich, wat ze het liefste wilde: dat ze moedig waren.’ Ze maken nog een brand, en een barre, ijzige, gevaarlijke tocht naar een bergmeer mee, die ze moedig als ze zijn, volbrengen. Een vol verve geschreven roman, waarin ernst en humor elkaar afwisselen, en die niet alleen een zoektocht van een vrouw die in de woeste natuur met zichzelf in het reine probeert te komen, maar ook een vertederend portret van haar kinderen, is. Paul en Ana vragen tijdens hun reis slechts een enkele keer: Wonen we hier, waar gaan we naartoe, gaan we hier naar school, verder volgen ze moedig hun moeder en vertrouwen haar blindelings. Helden zijn het: alle drie.

Ellen de Jong  2017