Grøndahl, Jens C. 2017

‘Vaak ben ik gelukkig’: Een uitgelezen poëtische vertelling

De 70 jarige Ellinor richt zich tot haar beste vriendin Anna: ‘Jij bent naar bed gegaan met de man van je beste vriendin.’ En: ‘Nu is jouw man ook dood, Anna. Jouw man. Onze man.’ Zo begint de nieuwe roman ‘Vaak ben ik gelukkig’, van de zeer geslaagde Deense auteur Jens Christian Grøndahl (1959). Uitgave Meulenhoff, vertaling Femke Blekkingh-Muller. Voorafgegaan door een poëtisch citaat: Vaak ben ik gelukkig en zou ik toch graag huilen; Omdat geen enkel hart mijn geluk volledig deelt.Vaak ben ik droevig en moet ik toch lachen, Opdat geen mens mijn bange traan zal zien. (B.S. Ingemann).
Op de eerste bladzijde van het boek voelen we al aankomen dat er een drama heeft plaatsgevonden. Het echtpaar Anna en Georg, is hecht bevriend met Ellinor en haar man Henning. Ze gaan met zijn vieren naar de Dolomieten voor een skivakantie. Georg vertelt Ellinor dat hij ontdekte dat Anna en Henning een affaire hebben. Ze konden er niet over praten want zij komen samen om in een lawine. Ellinor en Georg gaan na verloop van tijd, lotgenoten als ze zijn, samenwonen: ‘wij gingen bij elkaar horen.’ Ellinor wordt tevens stiefmoeder van de twee zoons van Anna en Georg. Anna was net dertig, hun jongens waren zeven toen Anna omkwam. Als Georg plotseling sterft vertelt Ellinor het hele verhaal, veertig jaar na de dood van Anna, aan haar lezers: ‘Nu is jouw man ook dood, Anna. Jouw man. Onze man.’ Grøndahl beschrijft Ellinors overdenkingen zoals we dat van hem gewend zijn: fijngevoelig, met diepgang en een melancholische ondertoon. Ellinor memoreert: ‘Ik hield van jou, Anna, en mijn liefde was groter dan mijn boosheid. Als Georg gestorven is lezen we: ‘Als mensen denken dat ik in de rouw ben, is dat al een mooiere voorstelling van zaken. De rouw is in mij. Het is een vormeloze klomp die onstuitbaar groeit.’ Ondanks het feit dat Henning en Anna haar bedrogen hebben voelt Ellinor het vooral als verraad aan haar vriendschap met Anna. ‘Jij was de lichtheid, Anna. Ik begrijp hem wel. […] Ik heb me ook aan jou gewarmd.’ En: ‘Ik dacht aan de jaren dat we elkaar kenden, alle uren die we met elkaar hadden doorgebracht. Ik had erop vertrouwd dat die in ons allebei lagen opgeborgen zoals linnen in een lade, gestreken en gevouwen.’ Grøndahl wijdt ook een deel van zijn boek aan de ouders van Ellinor en vooral aan de moeder, die een verhouding kreeg met een Duitse officier en een kind van hem verwachtte. Hij verdween en kwam na de oorlog ook niet meer terug. Ellinor werd geboren als ‘het hoerenjong van een moffenmeid.’ Ze hoorde haar moeders verhaal als veertienjarige aan en schaamde zich. ‘We konden niet eens steun zoeken bij elkaar. Je bent altijd alleen met je schaamte, want je gaat degene van wie je eigenlijk houdt, bijna haten.’ In het laatste deel komt Ellinor weer terug op haar herinneringen aan Anna: ‘Als een vogeltje op een tak zat je nu eens hier, dan weer daar, in de vertakking van herinneringen in mijn hoofd.’( Een sierlijk vogeltje op een tak prijkt ook op de schilderachtige cover van het boek). En, laat ze Anna weten, dat ze zich realiseert dat haar verhaal ‘een beetje droevig moet overkomen, maar ik ben geen somber mens, dat weet je. Vaak ben ik gelukkig, net zoals in het gedicht.’ Dat Grøndahl  in deze uitgelezen poëtische vertelling van maar 151 bladzijden - in een bijzondere constructie - zoveel bewogenheid in zijn karaktertyperingen legt, is bewonderenswaardig. Elke goed doordachte zin is een parel van taal. Vorm en inhoud zijn ook in deze roman opnieuw één.

Ellen de Jong 2017