Vittorini, Elio 2017

Ontwapenend verhaal over twee jeugdvrienden

De Italiaanse schrijver Elio Vittorini (1908-1966) schreef ‘De rode anjer’ in de vroege jaren dertig. De roman werd tussen 1933 en 1934 als feuilleton in het tijdschrift ‘Solaria’ gepubliceerd. Na het derde nummer nam de fascistische censuur het tijdschrift in beslag vanwege pornografische fragmenten in de tekst. Vittorini probeerde deze stukken bij te werken, maar ook in 1939 werd het boek niet goedgekeurd. Pas in 1948 mocht de roman bij uitgeverij Bompiani verschijnen. Deze vergeten klassieker werd herontdekt en recent uitgegeven door uitgeverij Cossee. Vertaling Emilia Menkveld. Twee jongens Alessio Mainardi, zestien jaar oud, en zijn vriend de achttienjarige Tarquinio Masséo, verblijven in een pension voor studenten. In Sicilië, in een stadje aan zee. Ze moeten beiden voor hun eindexamens studeren, maar ze lanterfanten liever. Ze worden vrienden en discussiëren wat af. Hun gesprekken gaan over vrouwen en politiek. Ze spreken bij voorkeur af in hun ‘hol’: ‘een werkplaats die diende als smidse en drukkerij en waar wij ons schoolkrantje lieten drukken op vellen, die voor zover ik het me herinner zo dik waren als pakpier.’ Aan het woord is Alessio. In cafés aan de Corso vermaken de twee zich ook opperbest. En ze fantaseren er over revolutie en agressief optreden, vooral na de gewelddadige moord op een socialistisch parlementslid. Het zijn echte vrienden: ‘Alles wat hij wist werd iets van ons tweeën. Zijn boeken werden mijn boeken, zijn ideeën werden mijn ideeën, zijn logica werd mijn logica. En die verbroedering, die herkenning van elkaars jeugdige ambities, die noemden wij het hol.’ Maar het is toch de liefde voor vrouwen waar het in hun gesprekken om draait. Op een dag ontvangt Alessio een envelop met een rode anjer. Afkomstig van Giovanna. Een beeldschoon meisje, de dochter van een kolonel. Hij was haar eerst op school gevolgd, ‘[…] elke dag na school liep ik achter haar aan. […] die tred, die benen, die hals, […] Ik hield van haar om al die dingen die haar anders maakten dan alle andere schoolmeisjes op aarde.’  Ze kusten elkaar. Daarna ging ze ervandoor. Alessio heeft het erover met Tarquinio, die op zijn beurt van een vrouw van lichte zeden droomt:  Zobeida, een mysterieuze oosterse schoonheid. Van Giovanna moet hij niets hebben, zegt hij tegen Alessio, zij is hem te hooghartig. Alessio besluit een dagboek te gaan bijhouden, waarin hij zijn gevoelens en verwachtingen kwijt kan. Hij ontmoet Giovanna niet meer, ze kwam niet meer terug naar school. ‘Als dit raadsel voortduurt en Giovanna niet terugkomt naar school en als ik niet meer tegen mezelf kan zeggen dat we van elkaar houden, dan verliest alles zijn schoonheid […].’ Met zijn ouders heeft Alessio geen band, hij ontvlucht ze om die reden. In zijn dagboek noteert hij dat hij erachter was gekomen dat Giovanna op reis was in Noord-Italië. Dan heeft hij overal genoeg van, ook van school. Hij zakt voor zes vakken en kan het komend jaar wel vergeten. ‘Naar de hel ook met dit dagboek, het is mooi geweest! ‘[…] en ik wil ook weleens weten wat voor een…die Zobeida is!’ Hij gaat naar haar toe en zij wijdt hem seksueel grondig in. Hoewel hij zich aan haar vastklampt, ontdekt hij dat zijn liefde voor Giovanna nog zuiver en oprecht is. De vriendschap tussen hem en Tarquinio is intussen verwaterd, maar tegen het eind van het boek zien ze elkaar weer. En wat hebben ze elkaar dan nog te zeggen?  Vittorini’s verhaal over deze twee jeugdvrienden die vol levenslust en idealen zijn en vervuld van erotische verlangens, is ontwapenend en amusant. In die zin is het, hoewel gedateerd, een verhaal van alle tijden.

Ellen de Jong 2017