Boltanski, Christophe 2017

Uitzonderlijke familieverhoudingen in ‘De schuilplaats’

Christophe Boltanski  (1962) is journalist en de jongste telg uit een beroemde familie binnen het Franse culturele circuit. Hij debuteerde met de roman ‘De schuilplaats’, die met diverse literaire prijzen werd bekroond. Uitgave: Cossee, vertaling Prescilla van Zoest. Boltanski beschreef de uitzonderlijke geschiedenis van zijn Joodse familie waarin hij opgroeide. In de Rue de Grenelle in Parijs, stond het imposante huis van de grootouders van Christophe, waar hij een groot deel van zijn jeugd doorbracht. Hij voelde er zich vrij en gelukkig. Het huis dat sinds 1935 de familie toebehoorde bestond uit een aantal vertrekken die Boltanski stuk voor stuk met een paar simpele lijnen tekende. Van de keuken via onder meer de salon, de woonverdieping en de tussenruimte, eindigde hij bij de zolder. Aan de hand hiervan vertelt Boltanski zijn familiegeschiedenis, die voornamelijk bevolkt wordt door zijn grootouders, ooms, tantes en hij zelf. In korte hoofdstukken voert hij hen ten tonele, maar hun historie beschrijft Boltanski niet in een chronologische volgorde. Je moet voortdurend bij de les blijven anders raak je de draad kwijt en verlies je het zicht op de generaties en familieverhoudingen. Voor zijn grootouders ruimde Boltanski een belangrijke plek in. De niet Joodse Marie-Elise is invalide, ze kreeg polio na de geboorte van haar eerste zoon Jean-Elie. Dat nam niet weg dat ze een Fiat bestuurde waarin haar man Etienne, haar kinderen en kleinkinderen allemaal een plaats kregen. De auto werd altijd vlak voor de deur geparkeerd. Etienne was arts: een Joodse man getekend door twee oorlogen: Hij had ‘depressieve gevoelens, terug te voeren tot de loopgraven, tot de verschrikkelijke slachtpartij die hij als arts, geacht levens te redden maar volstrekt machteloos, van heel dichtbij had meegemaakt.’ Hij behandelt in 1942 geen patiënten meer en als de Duitsers hem op de hielen zitten duikt hij onder in zijn eigen huis, in de tussenruimte. Zijn schuilplaats. In Rue de Grenelle was er zeer weinig te eten. Grootmoeder wilde niet aankomen en de hele familie was daar de dupe van, behalve grootvader die kreeg iets meer. Als ze wel eens met z’n allen in een restaurant gingen eten, verdeelden ze de gangen onder elkaar: ‘Zelfs bij het versterken van de inwendige mens vormden ze één lichaam.’ En schrijft Boltanski:  ‘Ze woonden in een paleis en leefden als clochards. […] Ze creëerden zo ook een onder-ons-zijn, een breuk met de buitenwereld […]. We waren altijd bang. Voor alles, voor niets, voor anderen, voor onszelf. Voor bedorven voedsel. Voor rotte eieren. Voor mensenmenigten en hun vooroordelen, hun haat, hun hebzucht.’ De familie doet alles samen: De ooms van Christophe krijgen thuis les van hun moeder, vrienden hebben ze nauwelijks. Ze slapen allemaal bij elkaar. Grootmoeder heeft de macht en de controle en wil hen beschermen tegen de brute buitenwereld. Zij is een nakomertje, ‘een overbodig kind.’ Ze werd weggeven, weggerukt bij haar familie en opgevoed door een stiefmoeder. Gepassioneerd beschrijft Boltanski zijn grootmoeder met haar vurige geest, die haar invaliditeit negeerde, en er alles aan deed om niet voor anderen onder te doen. Haar eenzame jeugd maakte dat ze vocht voor een hechte familie en ‘ze ging alleen maar op pad met al haar dierbaren om zich heen. Mijn kinderen zijn mijn wandelstokken.’ Zíj vormt de spil van Boltanski’s roman, samen met Etienne, die twintig maanden in de tussenruimte van het huis moest onderduiken met de dreiging van het antisemitisme en de komst van het Vichy-regime. Later ‘verpletterde de grote wereld’ hem.  Grootmoeder ging tijdens de bezetting schrijven, ze ‘typte met twee vingers haar romans op de Olivetti schrijfmachine, heel snel, hield het huishoudboekje bij, loste problemen op en nam belangrijke beslissingen.’ Boltanski is op zijn best als hij zijn grootouders karakteriseert, zíj zijn de kleurrijkste personages, maar de andere familieleden waaronder Boltanski zelf, mogen er zeker ook zijn.

Ellen de Jong     2017