Koch, Herman, 2017

In ‘De greppel’ van Herman Koch spelen jaloezie, argwaan en sterke vermoedens een dwingende rol0

'Ik noem haar Sylvia. Dat is niet haar echte naam - haar echte naam zou alleen maar afleiden. Mensen verbinden van alles aan namen, vooral wanneer die naam niet van hier is […]’. En: ‘Mijn vrouw - Sylvia! Ik begin al aan haar nieuwe naam te wennen - komt uit een land dat ik hier voorlopig niet zal noemen.’ In ‘De greppel’, uitgave Dwarsligger door Ambo| Anthos, kiest Herman Koch, auteur van veelgeprezen boeken als ‘Het diner’ en ‘Zomerhuis met zwembad’ voor Robert Walter als fictief hoofdpersonage. Hij is burgemeester van Amsterdam en hij is getrouwd met Sylvia: ‘Behalve op haar werd ik ook direct verliefd op haar naam.’ Ze hebben een dochter: Diana. Op een nieuwjaarsreceptie gaat Sylvia met Robert mee, hoewel ze nooit ‘de vrouw van’ wil zijn en een hekel heeft aan officiële gelegenheden. Robert is een zelfingenomen persoonlijkheid: ‘Feit is bijvoorbeeld dat je je in mijn gezelschap niet snel zult vervelen.’ Als Sylvia op de receptie van Robert wegloopt en met de milieuwethouder Maarten van Hoogstraten, die zo vóór windmolens rond de stad is, in een vrolijk gesprek raakt, waarbij ze haar flesje bier tegen het zijne tikt en haar hoofd wuft in haar nek werpt, vraagt Robert zich af wat dat te betekenen heeft. ‘Sinds wanneer hield mijn vrouw het langer dan tien minuten uit bij een man die geen deodorant gebruikt om het milieu te sparen?’ Hij gaat haar verdenken van een affaire met deze droge, saaie man. Obsessief gaat hij keer op keer na hoezeer Sylvia zich met hem zichtbaar vermaakte en hoe ze luid had moeten lachen om iets wat hij tegen haar had gezegd. Hij gaat er slecht van slapen en ook zijn werk vlot niet meer. Hij prent zich in dat ze geheid een verhouding hebben en hij probeert tekenen te vinden in Sylvia’s gedrag die daarop wijzen. Maar er is niets in haar houding tegenover Robert dat haar verdacht maakt. Toch blijft hij haar hardnekkig verdenken en vraagt zich af: ‘Wat heeft Maarten van Hoogstraten wat ik niet heb?’ En: ‘Ik werd een undercoveragent in mijn eigen huis. Van achter de krant bestudeerde ik mijn vrouw.’ Dit is de belangrijkste verhaallijn in Kochs boek. Een andere is de relatie die Robert, als enig kind, met zijn  hoogbejaarde ouders heeft. Hij heeft een hechtere band met zijn moeder dan met zijn vader. Die komt hem op een dag vertellen dat hij samen met zijn vrouw uit het leven wil stappen. Robert is er niet kapot van, hij begreep het wel en memoreert: ‘Een leven zonder ouders. Wees worden op mijn zestigste.’ Het voltooide leven van zijn ouders blijkt een verrassend gevolg te hebben…Tussen de beide verhaallijnen door leeft Koch zich uit op zaken als het fascisme, de drukte en bevolkingsopbouw van het centrum van Amsterdam, op veganisten die Birkenstock sandalen dragen: ‘Ben ik, opnieuw, de enige die bij het horen van de naam Birkenstock aan iets anders moet denken? Aan een onbeduidende plek in het Poolse achterland waarvan niemand precies zou kunnen zeggen waar hij ligt, een T-shirt met de opdruk IK BEN EEN OVERLEVENDE VAN BIRKENSTOCK.’ Er komt ook nog een journaliste in het spel die Robert interviewt en hem foto’s laat zien die voor hem erg belastend en pijnlijk zijn. Maar de rode draad blijft Roberts wantrouwen, in zijn hoofd speelt zich voortdurend van alles af wat betrekking heeft op de veronderstelde verhouding. Zelfs: ‘De afwezigheid van enig zichtbaar teken of signaal’, vindt hij een bewijs. In dit soort beschrijvingen, waarin argwaan, jaloezie en sterke vermoedens een dwingende rol spelen, is Koch een meester. Hij verslapt geen moment, het blijft allemaal extreem spannend en dat een dikke 500 bladzijden lang. Tot het laatst toe vraag je je af hoe het zal aflopen met Robert en Sylvia en of hij de greppel kan vermijden, daar hoogmoed (Robert spuugt niet op zichzelf: ’Een paar jaar geleden heb ik in de Time-top 100 van wereldwijd belangrijke persoonlijkheden gestaan’) nog altijd voor de val komt.

Ellen de Jong  2017