Foenkinos, David 2016

David Foenkinos’ ’Herinneringen’ blijven bij

Een jonge naamloze man, de hoofdpersoon uit de roman ‘Herinneringen’ van David Foenkinos, vertaling Liesbeth van Nes, uitgave Meulenhoff, wordt diep getroffen door de dood van zijn zeer geliefde grootvader: ‘Nooit kan ik meer terug naar die genegenheid voor hem. Behalve nu ik schrijf. Nu kan ik het hem zeggen.’ En schrijft Foenkinos: ‘Mijn kindertijd is een doos vol herinneringen aan hem.’ Hij heeft nauwelijks een band met zijn ouders en hij lijkt ook op zijn grootvader. Het trieste is dat deze stierf door een val ‘vanwege een zeepje’, terwijl hij een oorlog overleefde. Foenkinos’ hoofdpersoon is een man die het in zijn leven niet kan vinden. Hij wil wel graag schrijver worden maar door gebrek aan inspiratie krijgt hij nauwelijks iets op papier. Om de kost te verdienen wordt hij nachtportier in een klein hotel in Parijs, waar zijn baas Gérard als eigenaar de scepter zwaait. Zijn grootmoeder wordt na de dood van haar man door haar zoons in een bejaardentehuis gestopt, zeer tegen haar zin. Op een dag krijgt hij te horen dat zijn grootmoeder is verdwenen: ‘Ze heeft niet in haar bed geslapen en ze weten niet waar ze is.’ Hij is in alle staten en hij zál haar vinden. In zijn brievenbus vindt hij na drie dagen een kaart van haar met de woorden: ‘Alles is prima, liefje/Maak je vooral geen zorgen./Ik ben een reisje aan het maken./ Heel veel liefs, Oma.’ Met aan weerskanten een zonnetje getekend. Hij komt dan ineens op het idee naar haar geboorteplaats Étretat in Normandië te vertrekken. Hij vindt haar daar. Ze wilde er herinneringen ophalen aan haar jeugd en haar schooltijd. Ze verblijft in een hotel en hij voegt zich bij haar. Ze wil weer in de schoolbanken zitten, zegt ze, en dat gebeurt ook. Op dat moment komt Louise in beeld: ‘Nooit zal ik vergeten hoe die jonge vrouw met een tamelijk verzekerde pas op me af kwam. Ze droeg een egaal donkerblauwe jurk en haar haar was opgebonden in en paardenstaart. Ik zou met de beschrijving van hoe ze dichterbij kwam pagina’s kunnen vullen. Gemakkelijk. Op dat moment wist ik niets over haar.’ Ze is onderwijzeres op de school waar zijn oma op had gezeten. Louise raakt erg gesteld op hem en op zijn oma. Maar die sterft, terwijl hij haar voorlas: ‘Haar hart verliet haar lichaam heel beleefd. Ik heb minutenlang naar haar gekeken.’ Later ontmoeten Louise en hij elkaar en ze zijn gelukkig samen. Zoon Paul wordt geboren, maar Louise wil na een paar jaar scheiden en zegt hem: ‘We draaien op onze routine, er is geen uitdaging meer, geen droom. Je zou moeten schrijven, maakt niet uit wat, gewoon woorden opschrijven. […] Ik voel dat het idee van het geluk me ontsnapt. Ik voel dat alles heel snel gaat en dat het leven veel te kort is om aan middelmatigheid toe te geven.’ Louise verlaat hem. Gelukkig heeft hij zijn zoon nog. Op een dag gaat hij met hem naar een poppentheater: ‘Toen we voor het theater stonden, tikte het verleden me op de schouder als een oude kennis. […] ik zag het gezicht van mijn grootvader voor me. Ik had weinig aan hem gedacht de laatste tijd. En toch voelde ik hem heel duidelijk door mijn geest surfen. Ik hield van hem en miste hem. Ik miste hem afschuwelijk. […] Ik kon mijn grootvader voelen, […] ik kon hem bijna omhelzen, zo dicht leek hij bij me. Ik voelde een warmte in me, een geruststellende warmte. Ik wist dat alles nu mogelijk was.’
Foenkinos doorspekt zijn verhaal met herinneringen van onder meer Nietsche en Mastroianni , die wel aardig bedacht zijn, maar weinig toegevoegde waarde hebben. Maar op de laatste bladzijde lezen we in ‘Een van mijn herinneringen’: ‘Ik herinner me de dag dat er iets in me losschoot. Het was alsof ik al benodigde melancholie voor het schrijven had verzameld.’ En die herinnering snijdt hout, want die zou wel eens het begin van zijn bestaan als schrijver kunnen betekenen. Dankzij de vertaling van Liesbeth van Nes zal de kracht waarmee Foenikos zijn ‘Herinneringen’ construeerde én zijn poëtische schrijfstijl, de lezer mijns inziens bijblijven.

Ellen de Jong      2016