Brandt Corstius, Jelle 2016

Goudeerlijk portret van de band tussen een vader en een zoon

Jelle Brandt Corstius (1978) maakte veel fietstochten met zijn vader Hugo Brandt Corstius, bekend columnist en taalvirtuoos. In ‘As in tas’, uitgave Das Mag, beschrijft hij dat zijn vader ging dementeren en een half jaar na die diagnose dood ging. Jelle had een gecompliceerde relatie met hem: hij trok zich van niemand iets aan en was vooral op zichzelf en zijn werk gericht. Jelles moeder overleed toen hij drie jaar was. Zijn vader bleef met hem en twee zussen achter. Hij, die geen kinderen wilde hebben, moest ze alleen opvoeden. Dat ging hem moeilijk af, met als gevolg dat ze alle drie weinig aandacht kregen en zelf veel moesten doen. Daardoor leerden ze wel te overleven en kwamen nog goed terecht ook. Ondanks zijn vaders tekortkomingen en pijnlijke opmerkingen (stop mij na mijn dood maar in een vuilnisbak, waarbij hij zich kennelijk niet afvroeg wat wíj ervan zouden vinden), noteert Jelle dat hij ook een originele vader was die zich nooit aan de regels hield wat tot hilarische situaties leidde. En al schaamden ze zich ook voor hem, als hij brutaal voor een bus ging staan (die ze naar zijn idee moesten halen) zodat de chauffeur zonder hen niet kon wegrijden, moesten ze ook om hem lachen. Toen ze ergens gegeten hadden en de rekening betaald moest worden, zei zijn vader: ‘Ik tel tot vijf en dan zetten we het op een lopen. Lachend renden we weg met een boze ober achter ons aan.’ Een half jaar voor zijn vaders dood zat Jelle slecht in zijn vel. Hij was erg verdrietig om zijn aftakeling en naderende einde: ‘Slechts één project bleef hardnekkig in mijn hoofd zitten’, schrijft Jelle: ‘Fietsen naar de Middellandse zee, en mijn vader, mijn fietsmaatje moest mee.’ Toen zijn vader later overleed bereidde Jelle zich voor op zijn fietstocht: Van Ouderkerk aan de Amstel tot Saintes-Maries-de-la Mer aan de Middellandse Zee. In zijn fietstas ging een deel van zijn vaders as mee in ‘een purperen satijnen zakje’. Jelle fietst 17 dagen lang acht uur per dag (hij maakt zijn tocht aanschouwelijk met speelse tekeningen die zijn dagelijkse etappes markeren), voor hij de as van zijn vader na 1620 kilometer, in de zee verstrooit. Zonder omhaal van woorden bericht hij: ‘Ik houd het zakje ondersteboven en mijn vader valt in de branding.’ Behalve een pittig verslag van een fietstocht met heel wat ups en downs - letterlijk en figuurlijk- is het vooral een goudeerlijk, recht door zee geschreven portret van de band tussen vader en zoon. Eén van de meest aangrijpende scènes vind ik die waarin Jelle beschrijft dat ze samen naar hun zomerhuisje in Petten gingen, waar ze als gezin zomers altijd verbleven, en zijn vader, die steeds moeilijker kon praten, fluisterde: ‘Dit is de laatste keer dat ik de zee zie.’ Hij was moe en ging ‘op de divan liggen, en ik kroop bij hem. Ik hield hem vast, moest huilen en zei hem dat ik zo verschrikkelijk veel van hem hield. Hij zei niks, maar hield mij vast en dat was genoeg.

Ellen de Jong 2016