Helle, Helle 2016

In ‘Als je wilt’ van Helle Helle, raken een man en een vrouw de weg kwijt

Roar, een 48-jarige man is op een seminar van zijn werk. Hij gaat even hardlopen in een bos in Jutland en verdwaalt. ‘Ik weet niet veel van bossen, ik ben niet zo’n blijmoedige natuur.’ En: ‘Dit ben ik niet. Ik sta niet zo achter een boom in het bos.’ Roar vraagt zich verdwaasd af hoe hem dit kon overkomen. De Deense auteur Helle Helle, laat Roar in haar boek: ‘Als je wilt’, genomineerd voor diverse prijzen, uitgeverij Querido, vertaling Kor de Vries, niet alleen in het bos achter. Hij heeft geen water en eten bij zich en zijn mobiele telefoon werkt niet. Maar dan komt er een vrouw op zijn pad. Ook zij is verdwaald. Zij, 38 jaar oud, heeft wel water gelukkig, maar ook haar mobiel heeft geen bereik. Haar naam wordt niet vermeld, wel dat ze bijna dezelfde achternaam heeft als Jens Vejmand (iemand die goed kan bestraten). Roar en zij lopen samen verder. Als het donker wordt stuiten ze op een verlaten schuilhut. Hij heeft een forse blaar, zij verzorgt hem. Er zijn dekens die ze verdelen. Tijdens hun verblijf in die hut vertelt zij haar levensverhaal aan Roar. Hoe zij in een woongemeenschap terecht kwam en verliefd werd op Christian die een zoon heeft. Dat ze gingen samenwonen en een gezellig gezin vormden. En dat ze helaas merkte dat zijn liefde voor hem de verkeerde kant opging. Met kerst kreeg ze van hem een wekkerradio: ‘Ze hield haar gezicht in de plooi, maar begreep niet wat daar de bedoeling van was. Ze had nooit problemen om ’s ochtends uit bed te komen, ze werd wakker voor de wekker ging […] JE HAD ME PARFUM KUNNEN GEVEN, VERDOMME.’ Op pagina 120 voert Helle Helle de lezer terug naar het bos waar Roar en zij nog steeds in hun schuilhut verblijven. Opnieuw constateert Roar: ‘Dit ben ik niet. Ik zit niet zo met een slapende vrouw in het bos. Ingepakt in dekens, door en door verkleumd, in hardloopschoenen.’ Als ik Helle Helle goed begrijp is hij de verdwaasde, dromerige man en zij de daadkrachtige vrouw. Nadat zij hersteld is van herhaaldelijk overgeven na het drinken van vervuild water, gaan ze weer verder. ’s Nachts horen ze in de verte een keer de sirenes van een ambulance, je zou denken dat ze dan niet heel diep in het bos verdwaald kunnen zijn. Bovendien heeft Roar toen hij de weg kwijtraakte maar een kwartiertje hardgelopen in het bos. Zijn ze in hun léven wellicht de weg kwijt? Zij is gedesillusioneerd, hij is vrijgezel en vertelt haar: ‘Er was een keer iemand. Ze heette Grete […].’ Dat is het enige dat we van hem te weten komen. Afijn, ze lopen verder zo goed en zo kwaad als het gaat en zien na verloop van tijd een huisje waar ze kunnen bivakkeren en ze schoon drinkwater en brood vinden. Is de weg naar de bewoonde wereld nog ver nadat ze twee dagen en nachten met elkaar doorgebracht hebben? In korte, afgemeten zinnen, met suggestieve, maar veelzeggende details, beschrijft Helle Helle hoe haar twee, in feite eenzame personen, overgeleverd als ze aan elkaar zijn, een zekere saamhorigheid krijgen: op de weg die Hele Helle zo meesterlijk voor hen uitstippelde.      

Ellen de Jong 2016