Jonker I. & Brink A. 2016

Hartstochtelijke briefwisseling tussen twee literaire beroemdheden

In ‘Vlam in de sneeuw’, ‘Liefdesbrieven’, van Ingrid Jonker & André Brink, Uitgave Podium, vertaling Karina van Santen, Rob van der Veer en Martine Vosmaer, corresponderen de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker (1933-1965) - dochter van apartheidsminister Abraham Jonker - en auteur André Brink (1935-2015) met elkaar. In de inleiding van Willie Burger, haalt hij aan dat Jonker van mening was ‘dat communicatie zonder fysieke aanwezigheid eigenlijk onmogelijk is: ‘alles vergroot en uit zijn verband, omdat er alleen woorden zijn, zonder gezichtsuitdrukking of de aanraking van een hand.’ En noteert Burger: ‘Al waren Jonker en Brink nog zo ontevreden over de ontoereikendheid van woorden op papier, de briefwisseling maakte in werkelijkheid een zeer groot deel uit van hun relatie, die bijna twee jaar duurde.’ Jonker woont in Kaapstad waar ze als correctrice  werkt en Brink is docent letterkunde aan de Rhodes universiteit in Grahamstad. Ze schrijven elkaar brieven, ‘om nog iets van een relatie te hebben,’ aangezien ze honderden kilometers van elkaar af woonden. Op 15 april 1963 ontmoeten Ingrid en André elkaar bij vrienden in Kaapstad. Het is direct raak tussen hen. André beschrijft die eerste ontmoeting met Ingrid als volgt: ‘[…] op donderdag 15 april 1963, stapte Ingrid mijn keurig geordende leventje binnen en haalde alles overhoop. Tot op dat moment zat ik keurig opgeborgen in een uiterst voorspelbaar bestaan als echtgenoot en vader, docent letterkunde […] En daarna -? Een wereld waarin niets ooit weer veilig en zeker zou zijn en waarin álles, van het meest persoonlijke tot het meest publieke, van de liefde tot de politiek, blootgesteld zou worden aan onzekerheid en gevaar.’ André  blijkt dus getrouwd en heeft een zoon en Ingrid heeft een dochter uit haar eerste huwelijk en een aan en uit relatie met auteur Jack Cope.  André schrijft in mei 1963 aan ‘Mijn liefste wezentje’: ‘Zo geloof ik in het vlammetje dat er tussen ons is. Voor mij is dit nu het enige in de wereld…[…] Ons paren liet een vlam ontstaan…Maar het is iets teers en er is geduld voor nodig en een lange rusttijd.’ André wil niet scheiden en hun relatie moet geheim blijven. Wel vertelt hij het later aan zijn vrouw Estelle en Ingrid aan Jack. Ze zien elkaar een enkel weekend  als hij voor zijn werk in Kaapstad moet zijn of ze nemen een paar dagen vrij. Ze maken ook een reis door Europa, maar toen ze in Barcelona waren kregen ze ruzie en was de harmonie ver te zoeken. Hun briefwisseling betreft voor het grootste gedeelte hun relatie, waarin seksualiteit een belangrijke rol speelt. Maar ze hebben het ook over hun werk, onder meer over de totstandkoming van Andrés roman ‘De ambassadeur’ en Ingrids gedichtenbundel ‘Rook en Oker’, waarbij ze elkaar advies geven. En ze delen hun literaire denkbeelden met elkaar, hun dagelijkse beslommeringen en strubbelingen, maar wat hen ‘in de eerste plaats bij elkaar bracht’, schrijft Burger, ‘was hun gedeelde verzet tegen de steeds dreigendere censuurmaatregelen van die tijd.’ Ingrid uitte zich in haar gedichten (In ‘Ik herhaal je’, zijn al haar gedichten verzameld) fel en onomwonden tegen het apartheidsstelsel. Ze sturen elkaar ook bandjes met gesproken teksten, gedichten, knipsels, foto’s en telegrammen. Ook poëzie, vooral van de Vijftigers die ze bewonderen, delen ze. De brieven die André aan zijn ‘coconnetje’ (zijn koosnaam voor Ingrid), stuurt, lopen over van liefde en hartstocht. Bijvoorbeeld de regels die hij op 4 augustus 1963 schreef: ‘Ik hou zoveel van je, zo heel veel. Ik wil je in mijn gedachten weer zachtjes aanraken en álles begroeten - salut d’amour! Een groet aan je buikje. En je zachte dijen. […] En je ogen. En je haren. […] En al behoren we elkaar niet toe, laten we van elkaar zijn. Méér nog: laat ons elkaar zijn. Nu. En dus altijd.’ En in een latere brief: ‘ je bent het heerlijkste, en zuiverste en kostbaarste dat me ooit is overkomen.’ Ingrid schrijft op 21 oktober 1963: ‘Ik verlang naar je en ik ben helemaal afhankelijk van je. En je bent het geweldigste wat me ooit is overkomen.’ Later ontstaat er een ‘Stille verwijdering’, en schrijft Ingrid: ‘ik leef niet graag meer.’ Maar een paar maanden daarna: ‘een dag zonder jou is een voetreis door de Sahara. […] Ik verlang naar je mijn lieveling, ik wil je zo teder vasthouden en God! nooit laten gaan.’ Ingrid wordt na hun rampzalige verblijf in Barcelona opgenomen in een verpleeginrichting daar ze gekweld wordt door angstaanvallen. En dan is daar op pagina 501 de laatste brief van André die hij in april 1965 schrijft, en totaal onverwacht aankondigt dat hij een andere vrouw heeft: ‘[…] het is iets verschrikkelijks om te doen - om  dit te moeten vertellen, aan jou, nu. Meer weet ik niet. Alleen dat jij onvervangbaar bent in mijn hart. En dat jouw geluk me altijd ter harte zal blijven gaan. […] En ik groet je, mijn Cocon. Met tranen. En met liefs.’ Drie maanden later verdrinkt Ingrid zich in de zee. In de ‘Noot van de samensteller, vermeldt Francis Galloway tot slot dat André P. Brink drie maanden voor zijn dood de oorspronkelijke brieven die Ingrid Jonker aan hem heeft geschreven aangeboden heeft voor publicatie, samen met de oorslagen van zijn brieven aan haar. Het werk aan de publicatie is na zijn overlijden van start gegaan. Gelukkig maar, want deze met al haar verwarde en wisselende emoties doorspekte liefdesgeschiedenis, hartstochtelijk gebed in de politieke en maatschappelijk benarde situatie in het Zuid-Afrika van de jaren zestig (uitmuntend vertaald en voorzien van foto’s), had ik voor geen goud willen missen.

Ellen de Jong 2016