Reinhardt, Éric 2016

‘De liefde en de wouden’: Een diepgravende roman

  • De 36-jarige jonge vrouw, Bénédicte Ombredanne, schrijft auteur Éric Reinhardt dat zijn laatste roman een prijs verdient. Het mooiste wat het boek haar had gegeven, schreef ze, was ‘het inzicht dat je je eigen leven kunt uitvinden en dat het een mooi leven is […] En: je eigen leven uitvinden op voorwaarde dat het echt wordt.’ In ‘De liefde en de wouden’, uitgave De Arbeiderspers, vertaling Floor Borsboom, construeert Éric Reinhardt zijn, diepgravende, roman door drie stemmen te laten spreken. Waaronder die van Marie-Claire, de tweelingzus van Bénédicte, die haar als geen ander kent en haar onvoorwaardelijk liefheeft. Bénédicte woont in Metz met haar man Jean-François en haar twee kinderen. Ze doceert Franse taal-en letterkunde aan een middelbare school. Éric en Bénédicte ontmoeten elkaar slechts twee keer in Parijs, maar schreven elkaar vaker. Ze werden vrienden. Ze vertelt hem dat ze verkiest ‘wat diep is, datgene waarin je kunt doordringen, waarvan je je kunt voorstellen dat je erin kunt verdwijnen, je verbergen: de liefde en de wouden, de nacht, het najaar net als u.’ Bénédicte fantaseert over een vlammend leven, maar helaas is haar werkelijke bestaan het tegenovergestelde. Haar man kleineert en terroriseert haar en haar dochter Lola en zoon Arthur zien haar niet staan. Naar de buitenwereld toe doet ze echter alsof ze een goed gezinsleven heeft. Ze besluit via een datingsite op zoek te gaan naar een man. Ze vindt Christian, op 9 maart 2006. Het is in één klap raak tussen hen, een verrukkelijke middag lang. Ze komt veel te laat thuis en verzint een smoes. Haar man is woedend. Hij ondervraagt haar dagen en nachten lang waar ze was en wat ze uitvoerde op die dag. Ze gaat er kapot aan, zij die zich vol toewijding opofferde voor hem en haar kinderen, krijgt het uitgemeten. Op een avond neemt ze pillen en komt op een psychiatrische privékliniek terecht. Daar gaat ze schrijven: ‘Ze openbaren zich aan mij, die zinnen, als een landschap langs een weg, ik hoef mijn ogen maar te openen en de zinnen zijn daar, in mijn gedachten, en ik schrijf ze op, ik laat ze zichzelf op het papier schrijven, ik hoef alleen maar waakzaam en beschikbaar te zijn, volledig geconcentreerd op wat er in me gebeurt wanneer ik onderweg ben en schrijf, […] want ik ben nooit zozeer mezelf en één met mijn wezen, één met mijn waarheid, als wanneer ik omringd ben door woorden, zinnen, boeken, grote schrijvers en hun genie om met woorden licht in de duisternis te scheppen.’ Eén schitterend voorbeeld van de vaak lange zinnen die Reinhardt opdiept uit zijn scherpzinnige brein. Bénédicte wil de kliniek niet verlaten, maar ze moet naar huis. Opnieuw de hel waarin ze terecht komt. Ze wil het liefst met Christian samenleven en alle schepen achter zich verbranden. Maar ze blijft toch bij haar gezin. Waarom verlaat ze haar man niet en houdt ze de schijn op? Marie-Claire met wie Bénédicte van jongs af een zeer hechte band heeft, doet haar verháál aan Éric uit de doeken. We vernemen hoe Bénédictes jeugd was en hoe haar tragische leven verliep met een man van wie ze emotioneel afhankelijk was tot in het absurde toe. Het is allemaal werkelijk zo gegaan, aldus Reinhardt. Alleen haar naam is veranderd. Een smartelijke roman, beklemmend zelfs. De flaptekst vermeldt dat Éric Reinhardt (1965) ‘een van de rijzende sterren van de Franse literatuur is.’ Dat is zeker niet te veel gezegd.

  • Ellen de Jong 2016