Spoor, Hendrickje 2016

Liefde op het eerste gezicht

‘Volgens mijn ouders is mijn liefde voor Frankrijk begonnen op een zomerse zondagmiddag in Verdun, in 1967. Ik was toen vier jaar.’Aldus Hendrickje Spoor in haar boek: ‘Frankrijk, Een liefdesgeschiedenis.’ Uitgave Balans.Toen het drietal in een auberge gingen lunchen, bleek Hendrickje ‘als aan de grond genageld staan. Zoals mijn vader later keer op keer zou vertellen: ‘Het was alsof de aanblik van de buigende maître d’hôtel, de dame met het karretje met de toetjes, […] je totaal overdonderde.’ En Hendrickje herhaalde steeds het door haar moeder ingefluisterde ‘merci monsieur’. Liefde op het eerste gezicht mag je wel zeggen. Spoor verliet haar Nederlandse echtgenoot en vertrok naar Frankrijk ‘de oplossing  voor het probleem van mijn leven.’ Ze gaat naar Parijs en probeert er de taal onder de knie te krijgen en ze krijgt een verhouding met de Franse! Armand. Hij maakt haar wegwijs in de stad en ze leert zijn familie kennen. Spoor komt er achter dat er geen ongezelliger volk is dan de Fransen: ‘Wanneer je bij iemand op bezoek gaat, wordt er nauwelijks enige moeite gedaan je het gevoel te geven dat je welkom bent. En als er al moeite gedaan wordt, blijft het toch hopeloos stijf.’ Vervolgens benoemt ze een paar culturele verschillen: ‘Fietsen met een rok aan bijvoorbeeld (en dan niet eens op een herenfiets). Ontoelaatbaar. En waarom? Omdat andere mannen dan misschien een glimp van je benen zouden kunnen opvangen. En een vuurtje vragen in een cafe. Schande. Vrouwen vragen niet om vuur. Een vrouw wacht tot ze bediend wordt en anders rookt ze maar niet.’ Met Armand valt het na een tijdje tegen, al wil Hendrickje dat in eerste instantie niet erkennen: ‘Mijn nieuwe leven moet en zal een succes zijn.’ Ze houdt het nog anderhalf jaar vol met de, gokverslaafde, Armand, maar dan is hun verhouding ook echt voorbij. Zijn neef Ghislain komt daarna in beeld. Hij maakt haar serieus het hof. Hij heeft ‘het vanzelfsprekende gemak van een edelman.’ Ze vertrekken samen naar Zuid-Frankrijk en kopen er een vervallen huis, in Collias, een idyllisch dorpje. Ze knappen het op en hebben het er heerlijk. Van schrijven komt het echter niet:‘Ik ben totaal van het schrijven vervreemd geraakt. Ik leef in een wereld van concrete dingen.’ Financieel staan ze er spijtig genoeg slecht voor: Hun droomhuis moet verkocht worden. Ze betrekken weer een oud huis en nu in de Nièvre, een streek met bossen, regen en mist. Ze gaan het opnieuw bewoonbaar maken, maar dat gaat niet zonder slag of stoot, omdat er zoveel niet werkt: de elektriciteit bijvoorbeeld valt vaak uit. En er zijn meer problemen: ‘De post en bestellingdiensten zijn een ramp.
[…] Alle huisartsen zijn, of gaan, in dit departement met pensioen’, schrijft Spoor. Afgezien van deze perikelen geniet ze van: ‘Eksters in de kastanjeboom, een ontsnapte jonge koe, rustig grazend in de berm van de weg, de doffe plof van een vallende appel in de boomgaard. […] Dit is het paradijs, denk ik. Die achtergrond van stilte en berusting. Van accepteren en harmonie met de natuur. Zo sta ik buiten voor het open raam in de ochtendzon te dromen en snoei ondertussen de uitgebloeide rozen.’ Helaas moeten ze hun huis weer verkopen. Tot slot vindt Spoor een romantisch huis met uitzicht op de Morvan. Op deze hemelse plek blijft ze, al is het zonder Ghislain. ‘Misschien heb ik voor het eerst in mijn leven begrepen wat het is om te beminnen. Onherroepelijk, met overgave.’    
Het is een pakkend verslag geworden van Spoors leven in Frankrijk, ze doorspekte het met rake noties over de Franse manier van leven met onder meer hun obsessie voor privacy, hun chauvinisme en de gouden regel dat je nooit iemand mag tutoyeren als je daartoe niet wordt uitgenodigd. Spoor beschreef haar grote liefde voor Frankrijk beslist niet met de Franse slag!

Ellen de Jong 2016