Roemer, Astrid 2016

Bijzonder ontroerend relaas van een thuisloos leven

Van Astrid H. Roemer (Paramaribo, 1947), verscheen recent ‘Liefde in tijden van gebrek’. Met als ondertitel ‘Memoires van een thuisloze’. Uitgave Prometheus. Voor haar hele proza oeuvre ontving ze de P.C. Hooftprijs. Haar memoires zijn autobiografisch. Ze beschrijft de realiteit van haar leven. Roemer heeft geen woonadres en reist van de ene bestemming naar de andere. Zij voelt zich al twintig jaar opgejaagd als een wild dier. Door inbrekers en stalkers. Ze wordt bestolen, haar bankrekening wordt geplunderd, haar handtekening en identiteit worden door onbekenden misbruikt: ‘Mijn gsm is onbetrouwbaar. Mijn laptop wordt gehackt. Mijn teksten worden daarbij geschonden door een analfabeet en verspreid met vertekeningen. Voeg daarbij het binnendringen van mijn woonruimte tijdens mijn afwezigheid. Het is walgelijker dan aanranding en verkrachting.’ De honden lusten er geen brood van en tot overmaat van ramp wordt ze door steeds minder mensen serieus genomen. Ze deed herhaaldelijk aangifte maar kreeg nog geen gelijk. Ze is machteloos en schrijft: ‘Wie hebben ongemerkt met vuile handen in mijn zuivere bestaan gevingerd waardoor het ontstoken is geraakt en volkomen uit de hand dreigt te lopen?’ Vanuit Den Haag dat onleefbaar is geworden vertrekt ze onder meer naar verschillende plaatsen in Nederland en Schotland. Ze eindigt in Gent. Nergens bleef ze lang, pakte elke keer haar rugzak, laptop en Poes Steffi weer op en vertrok. Kater Plato ging dood. Poes Steffi is haar enige troost. Roemer, eenzaam en berooid als ze is, houdt heel veel van katten, vaak meer dan van mensen, al zegt ze dat niet met even zo vele woorden. Ze laten je niet in de steek en bedriegen je niet. Roemer lucht haar hart ook over haar liefdes: ze had een affaire met de getrouwde Bill en twee lesbische relaties. Haar laatste geliefde ‘de persoon aan wie ik liever niet denk’, laat het afweten. Roemer sterft ‘dagelijks duizend doden van verlangen’ naar haar. En schrijft ze: ‘Beminnen is voor mij van levensbelang.’ Het verwondert Roemer dat ‘velen slechts naar de oplichtende kant kijken: ‘ik, rechtopstaand, glimlachend en gaand. En niet de ravage zien die in twintig jaar is aangericht: ik, zonder vast adres, berooid. Zo blijft het geweld tegen mij ongezien. Onbespreekbaar. Ongestraft. En het duurt doodgewoon voort. En ik moet maar blijven proberen de blikken te ontwijken van triomferende ellendelingen. […] Alles wat ik met 30 jaren hard werken heb verworven is verdwenen. Geen mens bekommert zich nog om mij. […] Poes Steffi weet intussen dat zij en ik geen vast adres hebben. Huisloos zijn we, thuis bij elkaar, onophoudelijk onderweg.’ Maar hoe haar leven ook reilt en zeilt: Roemer houdt van taal. In een interview (NRC 14, 15 mei 2016), zegt ze: ‘Ik hou zo veel van woorden. Als ik sterf zal ik de taal het meest missen.’ Wat je je als lezer afvraagt, is waarom ze telkens weer op de vlucht sloeg en niet hemel en aarde bewoog om er achter te komen wie haar leven kapot wilde maken en waarom. Ze geeft zoals ze zegt nergens aanleiding toe, toch wordt haar privacy keer op keer ‘bruut gepenetreerd.’ Ondanks alles is Roemer niet stuk te krijgen.
’s Nachts slaapt ze vredig in haar slaapzak samen met Poes Steffi. Tegen het einde van haar bijzonder ontroerende en in weloverwogen woorden gevatte relaas van haar ‘thuisloze’ leven, belandt ze in Gent. Opnieuw worden daar haar teksten ‘gestolen, gemanipuleerd en geschonden.’ Maar schrijft ze: ‘Wat kan mij dan toch verblijden in dit Gentse? […] Zwermen meeuwen. Jonggeliefden. […] Een kind met een harig huisdier.’ Op de laatste bladzijde stapt ze moeizaam, ze is inmiddels bijna zeventig jaar, na haar boodschappenrit in de taxi en laat zich naar het hotel rijden waar Poes Steffi op haar wacht. ZIJ WEL.

Ellen de Jong  2016