Tóibín, Colm 2016

Colm Tóibín laat in ‘Nora’ eindelijk haar eígen stem klinken

Nora Webster in Colm Tóibíns roman ‘Nora’, uitgave De Geus, vertaling Anneke Blok, is een jonge weduwe die na de dood van haar man Maurice, met vier kinderen achterblijft. Ze woont, eind jaren zestig, in het Ierse dorp Enniscorthy, een kleine, conservatieve, katholieke gemeenschap, waarin men elkaar nauwlettend in de gaten houdt. Nora moet zich zien te handhaven in die uiterst zware periode van haar leven, waarin ze het zonder Maurice moet stellen, die haar steun en toeverlaat was. Ze had een baan buitenshuis nooit gemist, het huishouden had haar nooit verveeld. Familie en dorpsbewoners kwamen herhaaldelijk bij Nora op bezoek om haar te helpen. Maar er wordt ook op haar gelet, zelfs als ze haar haar verft heeft iedereen het erover. Nora krijgt het er benauwd van en richt zich op haar twee puber zoons die nog bij haar wonen en het ook moeilijk met de dood van hun vader hebben. Ze wil boven alles een goede moeder voor ze zijn, evenals voor haar volwassen dochters. Toch dringen ze niet echt tot elkaar door en heeft ze het moeilijk met hen. Hoe moet ze leven in dit dorp waar de inwoners haar betuttelen? En ook haar familie zich met haar zaken bemoeit? Nora besluit werk te gaan zoeken en krijgt een kantoorbaan, waar ze het sociaal gezien, niet gemakkelijk heeft. Toch piekert ze nu minder en leert het verleden stap voor stap los te laten. Ze krijgt interesse voor muziek, draait platen, neemt zangles en beseft hoeveel muziek voor haar was gaan betekenen: ‘Het was haar droomleven, het leven dat ze had kunnen hebben als ze ergens anders geboren was.’ En ze besefte ‘dat de muziek haar wegvoerde van Maurice, weg van haar leven met hem en van haar leven met de kinderen.’ Ze gaat op in het zingen en het beluisteren van platen en bedacht ‘hoe gemakkelijk ze iemand anders geweest had kunnen zijn, dat de jongens die thuis op haar wachtten, en het bed en de lamp naast het bed, en haar werk in de ochtenduren, allemaal min of meer toevalligheden waren. Ze waren op de een of andere manier minder echt dan de heldere klanken van de cello die uit de luidsprekers kwamen.’ Tóibín beschrijft de bekrompen sfeer in Enniscorthy - tegen de achtergrond van de onafhankelijkheidsstrijd van Noord-Ierland - zonder veel omhaal van woorden, op een rustige, beschouwende toon, met als kern Nora die eindelijk in een grandioos slotakkoord haar eígen stem laat klinken.

Ellen de Jong  2016