Montero, Rosa 2016

In ‘Het absurde idee je nooit meer te zien’ beschrijft Rosa Montero het enerverende leven van Marie Curie

‘De heilige van dit boek is Marie Curie’, schrijft de Spaanse schrijfster Rosa Montero in het begin van haar boek ‘Het absurde idee je nooit meer te zien’, uitgave Wereldbibliotheek, vertaling Hendrik Hutter. Montero’s uitgeefster vroeg een voorwoord te schrijven bij het dagboek van de van oorsprong Poolse Marie Curie, dat een twintigtal bladzijden telde. Marie Curie schreef het twaalf maanden na de dood van haar grote liefde Pierre. Montero werd geraakt door Curies schrijnende verhaal over het verlies van haar man. Zelf verloor Montero haar geliefde echtgenoot Pablo na eenentwintig jaar gelukkig samenzijn. Ze besluit aan de hand van Curies dagboek en wat ze middels biografieën te weten is gekomen van haar leven, een boek te schrijven: ‘Ik kreeg zin om haar verhaal op mijn manier te vertellen. Zin om haar leven te gebruiken als maatstaf om mijn eigen leven te begrijpen […].’ Marie Curie (1867 -1934) was ‘niet alleen de eerste vrouw die de Nobelprijs kreeg’, schrijft Montero, ‘en tot nu toe de enige die er twee kreeg, maar ook de eerste die aan de Sorbonne afstudeerde in de exacte wetenschappen, de eerste in Frankrijk die in die wetenschappen promoveerde, de eerste die hoogleraar werd…’ Beroemd werd ze als ontdekker van polonium en radium. Montero steekt haar bewondering voor deze bevlogen vrouw niet onder stoelen of banken. Ook Curies feministische kant boeit haar uitermate. Montero vertelt over Curies kindertijd en jeugd, haar studie en haar ontmoeting met Pierre. ‘Het was duidelijk dat het bij hen liefde op het eerste gezicht was, in elk geval bij hem. In de zomer van 1894 […].’ Ze bleken veel gemeen te hebben, ze waren onder meer beiden idealisten. Pierre schreef aan Maria: ‘Het zou heel mooi zijn, al durf ik er niet in te geloven, om samen door het leven te gaan, gehypnotiseerd door onze dromen, uw patriottische droom, onze humanitaire droom en onze wetenschappelijke droom.’ Ze kregen twee dochters, Irene en Ève. Irene volgde het pad van haar ouders, Ève niet. Op 19 april 1906 overlijdt Pierre, hij viel op straat en werd overreden. Hij was op slag dood. ‘Ik zal hem alleen nog maar dood zien, en alles is voorgoed voorbij […] Soms heb ik het absurde idee dat het allemaal niet echt is dat je gewoon weer terugkomt […].’ Die gedachte heeft Montero zelf ook na de dood van Pablo. Ze beschrijft hoe wanhopig ze is en hoe haar leven verder gaat. Curie wordt nog een keer echt verliefd op Paul Langevin, een natuurkundige, maar die relatie, hoe vurig ook, liep uit op een catastrofe. Ze stierf op haar zevenenzestigste, haar lichaam werd door radioactiviteit, waar ze jarenlang aan blootgesteld was, verwoest. Zij en Pierre waren verliefd op radium, in de ban van de groenblauwe gloed en ze sloten hun ogen voor het gevaar ervan. Maar Montero portretteert Curie ook als een gevoelige, gepassioneerde vrouw die intens kon genieten van - overigens schaarse - vrije tijd in de natuur, samen met Pierre en haar kinderen. Al kijkt ze nooit blij op de foto’s die de tekst van Montero ondersteunen. Het ontroerende dagboek van Marie Curie vormt het slot van het boek en sluit feilloos aan bij Montero’s beschrijving van Curies enerverende leven. Waarbij ze ook haar eigen mening over onder meer man-vrouw verhoudingen uit. Voor Montero zelf was het schrijven van dit boek niet alleen het opnieuw tot leven brengen van Marie Curie, maar ook ‘een alchemistische poging om het lijden om te zetten in schoonheid en literatuur. Kunst in het algemeen, en literatuur in het bijzonder, is een krachtig wapen tegen het Kwaad en het Verdriet.’

Ellen de Jong  2016