Palmen, Connie 2015

Connie Palmen maakt in haar roman ‘Jij zegt het’ van een noodlottig liefdesverhaal hoogwaardige literatuur

In haar recente roman ‘Jij zegt het ‘, uitgave Prometheus, geeft Connie Palmen de Engelse dichter Ted Hughes, het woord. Hij en Sylvia Plath ‘vormen het beroemdste liefdespaar uit de moderne westerse literatuur’, aldus de flaptekst. De levensgeschiedenis van dichteres Sylvia Plath is voor velen bekend. Na haar dood op 11 februari 1963 - ze maakte een einde aan haar leven - liet ze een aantal gedichten na én de bekende roman, ‘De glazen stolp’. Volgens Palmen was zij daarna het literaire genie, het slachtoffer en de ‘broze heilige’, hij ‘de brute verrader’ en de oorzaak van haar tragische dood. Hughes zweeg lang over zijn echtgenote om zijn twee kinderen geen pijn te doen en na jaren van beschuldigingen aan zijn adres, besloot hij nu dan eindelijk zijn verhaal te  doen, nadat kort voor zijn dood in 1998 de dichtbundel ‘Birthday Letters’ verscheen, die betrekking had op zijn relatie met Plath. In de verantwoording schrijft Palmen dat ze voornamelijk op deze bundel haar roman baseerde. Het is een zeer tragische en dramatische geschiedenis, de zeven jaar dat ze met elkaar waren. Ze ontmoeten elkaar op een literaire happening in Cambridge: ‘Voor mijn ogen rees een grote, glanzend gepolijste vrouw op, een verschijning uit het beloofde land. (…) Met haar maanvolle gezicht en koperkleurige satijnen huid zag ze eruit als een actrice uit een Hollywoodfilm. Ik, de stugge man uit Yorkshire, verkoos deze geëxalteerde vrouw boven alle anderen, gaf mijn hart aan een kwetterend, exorbitant wezen, het prototype van schijn en gemaaktheid, dweperig, in alles overdreven.’ Ze trouwen in het geheim en hun hartstocht zetten beiden in vuur en vlam. Ze gaan totaal in elkaar op, twee dichters gehuisvest in één ziel en in één lichaam. Toch weet Hughes dat zijn relatie met Plath, zijn bruid, een strijd zal worden: ze beet tot ‘bloedens toe’ in Hughes wang, toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten. ‘We omhelsden elkaar niet, we vielen elkaar aan’, schrijft Palmen. Plath blijkt onzeker over haar dichterschap, ze had het gevoel opgesloten te zijn ‘onder een stolp terwijl daarbuiten een geniaal boek - een bestseller - ongeduldig tegen de glazen wanden ervan tikte (…).’ Ze was ook jaloers, veeleisend en ze had paniek- en woedeaanvallen. En al wilde ze een goede vrouw en een liefdevolle moeder zijn, ze wist ook ‘dat er een geniale dichter in haar school en zij ons leven samen zou verwoesten  als ze die niet kon bevrijden.’ Hughes wordt een zeer bekende dichter die niet streeft naar roem en aandacht. Zij, toch ook een talentvolle dichteres, wil, gedreven door een ongebreidelde ambitie, beroemd worden. Het moederschap bracht haar niet wat Hughes had verwacht, want ze was niets waard vond ze ‘zolang ze de droom van succes niet had waargemaakt (…).’ In een gedicht van haar dat ze Hughes laat lezen las hij ‘wat ze wilde verbergen en onthullen, een diepe droefenis, een onontkoombare radeloosheid, een vrouw in de vrije val, onstuitbaar, door niets of niemand tegen te houden, nog altijd op weg naar haar dode vader.’ Hughes blijft haar beschermen, al is ze in zijn naaste omgeving niet geliefd. Ze verhuizen in 1961 naar het platteland, hij aardt daar, zij, na enige tijd, niet. Het leven wordt zwaar voor Hughes, hij heeft het gevoel onder ‘een glazen stolp’ te zijn beland. Hij wil ontsnappen en wordt verliefd op een andere vrouw: ‘Het enige wat ik wilde was gehoor geven aan de lokroep van deze zwarte muze (…).’ Plath en Hughes raken elkaar kwijt. Hij meende ‘tot op de dag van haar dood dat onze verwijdering tijdelijk was, dat wij - herboren, droeviger en wijzer - elkaar terug zouden vinden. En ik dacht dat we alle tijd hadden.’ Dat bleek niet zo te zijn, Plath beroofde zich van het leven en zijn zwarte muze in 1969 eveneens. Palmen laat de stem van Hughes, die zij bewondert en het voor hem opneemt, oprecht en wars van sentimentaliteit klinken. Wat ze voelbaar maakt is de emotie van een verslagen en gebroken man die, ondanks het tragische verloop van hun huwelijk, de liefde van zijn leven en de moeder van zijn kinderen verloor. Hij pleit zichzelf niet vrij voor zijn aandeel in deze trieste geschiedenis: ‘De rechter sprak me vrij, ik mezelf niet.’ Tot Hughes ziek wordt en de dood nadert en hij tot de slotsom komt dat hij tot het einde van zijn leven zijn ‘eigen loutering heeft geblokkeerd’, en ‘ik’ leerde te zeggen. ‘De enige manier om me te kunnen herenigen met mijn bruid, haar terug te halen uit de onderwereld en samen met haar naar de zon te lopen, lag in het ontsluieren van de eerste persoon enkelvoud die ik voor iedereen verborgen hield (…) ik zei het, ik.’ Palmen ten voeten uit. Zij weet, begenadigd auteur die ze is, van dit noodlottige liefdesverhaal, hoogwaardige literatuur te maken.

Ellen de Jong    2015