Casteren, Van, Joris

Met zijn roman 'Lelystad' gaf Joris van Casteren de stad een gezicht

Joris van Casteren (Rotterdam, 1976) is journalist, dichter en schrijver. Hij publiceerde onder meer de succesvolle boeken 'Requiem voor een pitbull', 'Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf' en 'In de schaduw van Parnassus'. In 2006 won hij het Gouden Pennetje. In zijn roman 'Lelystad', (uitgave Prometheus), die in september 2008 verscheen -  en inmiddels een vierde, bijna een vijfde druk, beleeft - doet Van Casteren verslag van zijn jeugd in troosteloze nieuwbouwwijken. De stad waar zijn vooruitstrevende ouders in 1976 naartoe trokken en die geen voorbeeldgemeente werd maar de meest ongewenste plek in Nederland, geteisterd door criminaliteit en leegstand. Van Casteren laat zien hoe hij het ervaarde om op te groeien in die 'gemaakte' samenleving met haar vandalisme en verpaupering. Vol rake observaties en beeldende scènes krijgt de lezer het autobiografische portret te zien van hèm en een 'zelfportret' van Lelystad.  

In gesprek met Joris
Joris was een baby toen zijn ouders in 1976 naar Lelystad vertrokken. Toen zijn ouders uit elkaar gingen was hij een jaar of vier. 'Ik heb wel herinneringen', zegt Joris, 'ik kan me nog goed de smetteloosheid en de monotonie van de buurt herinneren. De uniformiteit van alles. Net alsof alles uit de fabriek kwam.' Joris heeft een onderkoelde stijl van schrijven, en zijn zinnen zijn kort en bondig. Er zijn veel emoties tussen de regels voelbaar.
'Zo schrijf ik altijd, het is niet zo dat deze stijl speciaal voor dit boek ontwikkeld is, maar ik ben er wel achter gekomen dat het met Lelystad te maken heeft. Ik schrijf suggestief, ik dreun niet maar wat, er zit van alles tussen. Ik speel met dat onderkoelde en het herhalende en inderdaad in korte zinnen.'
Joris schrijft ongeveer halverwege zijn boek dat hij toevallig een documentaire over de Vijftigers voor de televisie zag: 'Ik hoorde onbekende woorden die vonkten in mijn schedel.' En: 'De poëzie activeerde een gebied in mijn hersens dat nooit eerder geactiveerd was. In Lelystad had ik nooit iets of iemand een gooi naar het hogere zien doen, of het moesten de onbekend gebleven kunstenaars zijn die klodders verf op hun doeken smeerden en die naar de kunstuitleen brachten.' Wat voelde je toen? Joris: 'Ik beschrijf in mijn boek wat ik toen ervaarde: Nutteloze pracht en praal die het hoofd op hol bracht, ontregeling die de logica verstoorde. Het stond natuurlijk lijnrecht tegenover de geest die de stad ademde, als die al een geest ademde, was het een functionele. Het ging om overzichtelijkheid en orde, terwijl ondertussen de chaos overal toesloeg omdat heel veel mensen eruit wilde breken. Uit dat uniforme, je werd in een soort mal geperst en dat voelde ik ook erg. Maar dat besef je niet, totdat je, in mijn geval, zo'n documentaire ziet. Op een aangename manier werd alles door de war geschopt en vanaf dat moment kon ik ook niet meer normaal naar die stad kijken.'
Joris ging gedichten schrijven, van één tijdschrift kreeg hij bericht, twee van zijn gedichten zouden gepubliceerd worden. Waar gingen ze over? Joris: 'Eén gedicht dat later ook in mijn dichtbundel 'Grote Atomen' is terechtgekomen, ging over een plek in Lelystad waarin ik die onechtheid ontmasker, die uniformiteit. Over de vervreemding van die kunstmatige omgeving en hoe daar in verzet tegen te gaan.'
Joris ging later naar de School voor Journalistiek in Utrecht en vertelt hoe het hem daar verging. In het tweede deel van zijn boek beschrijft hij hoe hij vijftien jaar later, tussendoor bezocht hij de stad natuurlijk ook nog wel eens, terugreisde naar Lelystad. Hij ging daar een aantal mensen opzoeken en wilde laten zien hoe het afliep met de meeste van hen die daar waren blijven hangen. Wat er van hen geworden was. 'Dat was vaak heel treurig omdat er nog steeds niet veel is. Toch waren een aantal daarvan niet ongelukkig dus daar doe ik ook niet neerbuigend over. Er zijn gewoon mensen die heel functioneel kunnen  leven, met een auto, een huis, een supermarkt en een televisie. En dan is Lelystad ideaal en dat wilde ik laten zien. Maar mijn wereld was en is het niet, ik heb me ook altijd een buitenstaander gevoeld. Ik heb het nu allemaal wel tragikomisch opgeschreven, maar ik voelde me echt niet gelukkig daar.'
Aan het einde van zijn boek beschrijft Joris hoe hij met een piloot in een sportvliegtuig boven Lelystad vliegt:

'De piloot vroeg waarom ik boven Lelystad wilde vliegen, dat had nog nooit iemand an hem gevraagd. Ik zei dat ik opgegroeid was in Lelystad en dat ik de stad een keer van boven wilde zien. 'Er is niet veel aan als je het mij vraagt,' zei de piloot. In het sportvliegtuig begon ik het op te nemen voor Lelystad, zoals ik dat vroeger ook deed als iemand me op mijn woonplaats aanviel. 'Het is een boeiende stad, als je de verhalen kent,' zei ik tegen de piloot.'
Hoe zit dat nu precies? 'Ik heb een haatliefde verhouding met die plek en ik vind dat je door die verhalen te vertellen de stad een gezicht, een ziel geeft. En dat is nu net wat die nodig heeft.' 

Door dit boek gaf jij Lelystad inderdaad een gezicht.  
'Niet alleen de stad, maar ik liet ook de maakbaarheid illusie van Nederland zien. We hebben een polder en daar kan je van alles mee doen, bouwen en neerzetten, en dat wordt dat het. Het laat zien waar ze misschien de volgende keer beter over moeten nadenken.'
Hoe kijk je nu een jaar later tegen je boek aan? 'Het is goed en af. Er is een periode afgesloten. Ik heb nergens spijt van.'

Ellen de Jong

ISBN: 9789044612172                                                                                            

www. jorisvancasteren.nl