Middag, Guus 2015

‘Herinneringen van Thérèse Cornips’: een sprekend portret getekend door Guus Middag

Guus Middag is essayist, columnist, vertaler en poëziecriticus voor NRC Handelsblad. In ‘Met een bevroren jas en een geleend tientje’ met als ondertitel ‘Herinneringen van Thérèse Cornips’, uitgave Van Oorschot, schetst Middag een portret van Thérèse Cornips. Onder meer bekend als vertaalster van Marcel Prousts ‘ À la recherche du temps perdu’ en als de vrouw van dichter Chris van Geel, die Middag  sinds zijn veertiende bewonderde. Hij voerde een twintigtal uitvoerige gesprekken met Thérèse Cornips, van januari 2011 tot november 2014. Vastgelegd in vijftien hoofdstukken. ‘Zij werd zo gedwongen op haar eigen leven terug te kijken, en dus ook, en soms meer dan haar lief was, op de perioden waarin het minder goed ging. De gesprekken kwamen vanzelf ook uit op haar falen als artiest, haar verdriet, haar altijd ergens wel aanwezige gevoel van depressie, haar eerste en tweede zelfmoordpoging, haar ongeluk in de liefde, haar teleurstellingen in de vriendschap’, noteert Middag. Thérèse Cornips wordt in 1926 geboren in een dorpje aan de oostkant van Maastricht. Haar moeder was een kritische, zeer overheersende vrouw. Haar vader erkende haar niet als zijn kind omdat hij dacht dat zijn vrouw vreemd was gegaan met een dokter van het sanatorium waar zij een jaar lang was opgenomen. Pas op zijn sterfbed zei hij: ‘dat ik net zoals zijn andere dochter van hem was.’ Thérèse is nog jong als de oorlog uitbreekt en toen ging het niet goed met haar, in die winter van 1944. 0Ze ging niet meer naar school, ze rookte en ze maakte stiekem lange nachtwandelingen omdat ze zo rusteloos was. En depressief, al wist ze toen nog niet wat het woord inhield. Toen ze twintig jaar was werd ze nog steeds door haar moeder gedominiseerd, en zelfs gevangen gehouden. Na een hoogoplopende ruzie met haar over de verhouding die Thérèse toen had met Nico Frijda, vertrekt ze voorgoed uit haar ouderlijk huis: Op een winternacht breekt ze uit het raam en vlucht met een van de waslijn bevroren winterjas en een geleend tientje. Ze ontmoet de schilder Klaus Grünewald en trouwt met hem. Hij ruilt haar later in voor een ander. Ze besloot te stoppen met psychologie dat ze sinds 1945 in Amsterdam studeerde en begon te schilderen. Met Klaus had ze wel een kind willen hebben, maar dat lukte niet, en daarna zag ze er voorgoed van af. In de winter van 1950-1951 maakte ze in haar eentje een reis naar Zweden waar ze enorm van de natuur genoot en ook weer een liefde had, die overigens op niets uitliep. ‘Wat mijn plan was in het leven? Ik ben nooit iets van plan geweest met mijn leven. Ik wist wel dat ik kunst wilde maken. Ik had het daar geweldig leuk. Ik zwierf door de bossen, ik tekende en schilderde, ik las Shakespeare. Ik was in Zweden niet depressief en ook niet ongelukkig.’ Ze besloot kunstschilder te worden. In september 1952 komt ze de dichter Chris van Geel tegen. Ze wordt opnieuw verliefd en gaat met hem samenwonen in Groet, in een huisje in de duinen.  Ze hadden nauwelijks geld en hij vond dat Thérèse zich tot in details in zijn poëzie moest verdiepen en die ook moest redigeren. Verder waren de huishoudelijke zaken haar taak en onder geen beding die van hem. Voor tekenen en boetseren had ze geen tijd, ze had nooit een moment voor zichzelf. Later kreeg Van Geel succes met zijn bundel ‘Spinroc’ (Cornips omgekeerd). Hij leefde voor de kunst, maar hij had driftaanvallen, was arrogant en ziekelijk jaloers. Ze hadden heftige ruzies waarbij hij agressief kon worden. Toen hij verliefd werd op een ander stapte Thérèse op. Ze stond ‘toen op het punt om het huis in de fik te steken. Ik zat al op het dak met een blik petroleum, maar toen belden er mensen aan.’ Ze neemt na haar vertrek afscheid van de beeldende kunst en wordt vertaalster. Ze zet een leven op in België, maar blijft lijden onder haar depressies en probeert er zelfs een paar keer een eind aan te maken. Op haar 73e wordt ze, tegen alle verwachtingen in, verliefd op Carlos van Regteren Altena en met hem had ze nog vijftien gelukkige jaren. In de terugblik op haar leven ziet ze in dat ze veel te veel geslikt heeft: ‘Ik reageer nooit rechtstreeks op iets onaangenaams. Ik reageer secundair: mijn reactie is om niet te reageren. Proust noemt dit ‘het langzame gif’: het wordt niet meteen gevoeld, pas later dringt het meer en meer door en dan voel je het pas.’ En: ‘Kijk ik terug, dan zie ik die hele versnippering van mijn leven […]. Het is een wonder als een mens heelhuids door zijn leven komt.’ Middag tekende een sprekend portret van een fijnzinnige, kunstzinnige en ruimdenkende vrouw, met een uitgesproken bohémien levensgevoel. Het knappe van hem is dat het lijkt alsof Thérèse zelf aan het woord is, terwijl híj haar bewogen persoonlijke historie - met veel liefde - construeerde.

Ellen de Jong  2015