Gonsalves, Marc 2015

In ‘Gegijzeld’ vertellen drie Amerikanen hun verhaal. ‘De kracht van vriendschap’ staat centraal

Op 13 februari 2003 stortte het vliegtuig met drie Amerikaanse piloten en hun Colombiaanse collega’s neer in het Colombiaanse oerwoud. Marc Gonsalves, Keith Stansell en Tom Howes begrepen al snel dat ze ‘midden in een eenheid van FARC-strijders terecht waren gekomen.’ Keith constateert: ‘Met permissie: we zijn goed de lul.’ In ‘Gegijzeld’, uitgave Forum, vertaling Trudy Koelemeijer maken ze ons deelgenoot van hun afschuwelijke ervaringen als gijzelaars die meer dan vijf jaar gevangen werden gehouden door de FARC: de Colombiaanse marxistische terreurbeweging die vanuit de jungle opereerde. De FARC raakten steeds meer betrokken bij de handel in cocaïne, later kwamen daar ontvoeringen bij en terroriseerden ze de gijzelaars en oefenden een schrikbewind uit dat alom gevreesd werd. Voor de crash was de taak van Marc, Keith en Tom, de cocavelden op te sporen. Marc: ‘Het kwam erop neer dat wij de inlichtingen verschaften waardoor de besproeiingseenheden wisten waar de cocaplantages lagen en de inlichtingendiensten de locaties van de productielabs van cocaïne doorgaven zodat die konden worden vernietigd.’ Ze waren alle drie na het ongeluk gewond op het moment dat een groep zwaarbewapende guerrillero’s op hen afkwamen en begonnen te schreeuwen of ze van de CIA waren. Als dat het geval was geweest waren ze acuut geëxecuteerd. Keith noteert: ‘Als ik een van hen vroeg waarom ze dachten dat ze ons legaal konden vasthouden, zei hij dat we hun luchtruim hadden geschonden.’ Eindeloze voettochten volgden. Tom: ‘We liepen allemaal te strompelen en te vallen en we kregen onze eerste lessen in de gevaren van het oerwoud, dat vol dingen zat die konden bijten, steken en op andere manieren ons vlees konden doorboren.’ Ze liepen week in, week uit, later, jaar in, jaar uit, gewond en wel door het verstikkende oerwoud. Ze kregen nauwelijks te eten en werden om de haverklap geketend. Als ze in een kamp verbleven kregen ze onderdak in een junglehut. Keith: ‘Er vlogen vleermuizen rond in de junglehut. Er kropen teken naar me toe die al op mijn borst zaten voor ik ze eraf had kunnen slaan.’ De drie waren voor hun gijzeling collega’s, maar nu worden het broers voor het leven die elkaar vast houden en maar één doel hebben: overleven, de FARC overwinnen en dromen over hun thuiskomst. Vaak moesten ze geketend op pad en sliepen ze in de modder. Er kwam een tijd dat ze hun frustraties op elkaar af reageerden, maar dat ging over. Ze kregen steeds meer ‘een soort broederlijke verbondenheid met elkaar.’ Om de tijd te doden liepen ze rondjes, schaakten blind (Marc knutselde het schaakspel in een jaar in elkaar), schreven in schriften en lazen boeken die ze soms kregen. De lezer komt ook te weten hoe de band met hun bewakers was en hoe hun hoop op redding keer op keer de bodem in werd in geslagen. Op een gegeven moment kwamen de drie in Kamp Caribe terecht. Ze ontmoeten er politica Ingrid Betancourt die al eerder gevangen was genomen door de FARC.  Ze blijkt een grillige vrouw te zijn die macht over hen wilde uitoefenen. Ook juriste Clara Rojas - in eerste instantie een vriendin van Ingrid, later komt er een breuk in hun vriendschap- is in dat kamp, zij wordt zwanger en bevalt onder de meeste afgrijselijke omstandigheden van een zoon. Wie de vader is? Dat blijft een mysterie. Marc schrijft dat ze in Kamp Caribe ‘zowel lichamelijk als geestelijk op de proef werden gesteld. We werden uitgekleed, blootgelegd en verscheurd, waardoor zich een nieuw zelf openbaarde. Keith had gemerkt dat dit proces zowel in hem zelf als in ons alle drie plaatsgreep. Hij zei dat dit ‘je ware karakter onthulde’, met andere woorden dat de gevangenschap ons aller ware aard zou onthullen. Het oerwoud zou alle lagen camouflage weghalen.’ Dat er kamproddels, kliekvorming en gecompliceerde relaties tussen de gijzelaars plaatsvonden, lag voor de hand. Eind juni was het bijna vijfeneenhalf jaar dat ze gedrieën gevangen waren genomen. Tot er op een ochtend Heli’s verschenen met de kleuren van een hulporganisatie. Zij en twaalf anderen, waaronder Ingrid, zouden naar een andere locatie worden gevlogen. Wat volgt is een verbijsterend staaltje vernuft van de Colombiaanse Army en een stel Amerikanen: Operatie Jaque is geslaagd: ze zijn vrij! Tom: ‘De schaakpartij was over. We hadden gewonnen.’ ‘Gegijzeld’ is niet alleen een verhaal over de gruwelijke toestanden onder een terreurbewind, maar vooral ook de wil om te overleven en de kracht van vriendschap. De foto’s in het boek weerspiegelen lief en leed en zijn een welkome aanvulling. Marc schrijft tot slot, beter had hij het niet kunnen formuleren: ‘Zelfs mijn ergste vijand wens ik niet toe wat mij is overkomen. Maar één ding kan ik jullie wel vertellen: alleen had ik dit nooit overleefd. Tom en Keith: ik heb jullie niet uitgekozen als medegijzelaars, maar ik ben oneindig dankbaar dat jullie bij me waren. Je familie zoek je niet uit. Hetzelfde geldt voor je medegijzelaars. Wij zijn nu familie. En samen hebben we het voor elkaar gebokst; we hebben het overleefd. Ik hou van jullie, broertjes. We gaan de rit maken.’

Ellen de Jong