Thomas, Matthew 2015,

‘We zijn onszelf niet’ van Matthew Thomas: lijvige, indrukwekkende roman over vroege Alzheimer

Eileen Tumulty is enig kind van eenvoudige, Ierse immigranten. Ze wonen in New York. Beide ouders zijn aan de drank en proberen desondanks hun hoofd boven water te houden. Veel geld is er niet. Eileen krijgt weinig liefde en moet haar weg alleen zien te vinden. Ze wordt verpleegster en ontmoet Edmund (Ed) Leary. Hij is een gedreven hersenonderzoeker die keihard werkt om zijn ambities waar te maken. Eileen constateert: ‘Hij was geen stijve hark en hij was geen watje. Wat was het juiste woord? ‘Fijngevoelig’ was het enige wat bij haar opkwam, verbazend genoeg; hij was een fijngevoelige man. Niets van wat er om hem heen gebeurde ontging hem. Zijn naam was Leary, zo Iers als wat, maar ze besloot dat dat geen reden was om niet met hem te trouwen.’

In ‘We zijn onszelf niet’, uitgave De Bezige Bij, vertaling Caroline Meijer en Saskia van der Lingen, beschrijft Matthew Thomas in deze debuutroman, hoe hun huwelijk en hun leven samen verloopt. Vijf jaar na hun trouwen proberen ze een kind te krijgen. Op haar vijfendertigste is het zover: zoon Connell ziet het levenslicht. ‘Ze zou de toekomst op de jongen bouwen.’ Eileen heeft zich intussen opgewerkt tot hoofdverpleegkundige. Ze wil nu een groter huis in een betere buurt. Maar Ed voelt daar niets voor, hij wil slechts zijn idealen verwezenlijken, geld en status spelen daarbij geen rol. Eileen merkt dat zijn blikveld kleiner was geworden, ‘sinds hij zich achter zijn idealen had verschanst.’ Hij gaat zich meer en meer terugtrekken in zijn eigen wereld en verandert in een sombere, onverschillige man. Als Ed vijftig jaar wordt besluit Eileen, ze wonen inmiddels in een groter huis, een surpriseparty voor hem te organiseren. ‘In elk geval zou ze hem zo een avond van de bank af krijgen, maar ze wilde nog meer: ze wilde hem wakker schudden, hem een duwtje geven om zijn verloren enthousiasme terug te vinden. Hij was de laatste tijd zo eenzelvig dat het hem goed zou doen een avond in gezelschap van anderen te moeten verkeren.’ Dat het geen surprise voor Ed wordt was te verwachten. ‘Toch kon ze de zin nog niet uitspreken in haar hoofd: Ed heeft…, want het was onmogelijk dat hij het had.’ De diagnose laat niet lang op zich wachten: Ed heeft op zijn eenenvijftigste Alzheimer. ‘En wat nu?’ vroeg Ed. ‘We gaan dit met waardigheid en fatsoen verduren’, is Eileens antwoord. En dat doet ze tot het laatste toe. Het gaat stap voor stap bergafwaarts met Ed. Thomas beschrijft die pijnlijke weg aangrijpend en met een diep inlevend vermogen. Het gaat in dit omvangrijke boek om Eds ziekte en wat voor impact die heeft op Ed zelf en zijn omgeving. Zoon Connell heeft veel moeite met de ziekte van zijn vader en weet er ook niet goed raad mee. Als Ed in een verpleeghuis belandt, bezoekt Eileen hem elke dag, ze slaat er nooit één over: ‘Zij zou die vrouw worden die niet wegging, met dat huwelijk dat niet zou uitdoven. Haar mening over haar man zou niet veranderen doordat een stelletje bejaardenverzorgers hem behandelde alsof hij de eerste de beste oude dwaas was.’ Thomas wijdt ook een aantal hoofdstukken aan Connell, hoe zijn leven reilt en zeilt. Maar vooral de band met zijn vader doet Thomas met veel gevoel uit de doeken. Die band is innig tot Ed van karakter verandert. Daar worstelt Connell mee, maar het blijft zijn vader, zijn beste vriend, die hem, Connell, zeer liefheeft. Later leest Connell in een brief van zijn vader die aan hem gericht was: ‘Mijn lieve jongen, je betekent de wereld voor me.’ Thomas beschrijft met groot inzicht en empathie hoe het proces van afglijden in dementie verloopt en wat de invloed daarvan is op de patiënt zelf en de betrokkenen. Tien jaar lang heeft Thomas aan zijn debuut gewerkt: het resultaat mag er zijn en zelfs veel méér dan dat.

Ellen de Jong   2015