Wiener, L.H. 2015

‘In zee gaat niets verloren’ van L.H. Wiener: een bijzondere familiekroniek

‘Ik ben geleidelijk onderhevig geraakt aan de behoefte mijn tijd en leven de rug toe te keren en op te gaan in een fictionele wereld van eigen fabricaat, geheel te verdwijnen in mijn eigen boek, dat ik heb opgezet als een poging het verleden op orde te brengen.’ Of dat lukt beschrijft de 70-jarige auteur L.H. Wiener - de ik-figuur in zijn boek ‘In zee gaat niets verloren’- uitgave Atlas Contact, in de vorm van een memoir: ‘wat kan ik anders doen om alsnog deel uit te gaan maken van de helft van een familie van wie ik het bestaan pas tegen het naderend eind van mijn leven te weten ben gekomen?’ Op de voorkant van de omslag is een portret van een beeldschone Joodse vrouw te zien: ‘mijn oudtante Loes, bij leven en onderduiken Louise Reine Henriette van Gigch.’ Wiener komt haar beeltenis tegen op een tentoonstelling van fotograaf Merkelbach in het Stadsarchief van Amsterdam. Hij herinnert zich met een schok dat hij als vijf jarige jongen na de oorlog in 1950 met zijn vader en broertje bij haar op bezoek ging. Ze reageerde toen uiterst afstandelijk en koud: ’Wat is er tussen mijn vader en u gebeurd, Tante Loes, waardoor u op 5 mei 1950 zo kil afstand van ons gaat nemen, als mijn vader vol trots mijn broer en mij aan u komt tonen, op de Vossiusstraat 31, tweehoog? Aan u, Louise van Gigch, met Klara Herschel en hijzelf zo’n beetje de enige overlevenden van de hele familie! U keek neer op mijn vader, en dat voelde ik als een persoonlijke belediging, al was ik pas vijf, en daar heb ik last van, Tante Loes, blijvend last van, mijn hele leven al.’ In de oorlog was Tante Loes ondergedoken op de zolder van het leeuwenverblijf in Artis. Wieners vader bezocht haar niet in de oorlog. ‘Misschien omdat hij niet wist waar ze zich bevond, misschien ook omdat er tussen hen iets was voorgevallen, hetgeen ik vermoedde, maar niet zeker wist. Niet zeker kon weten.’ Daar op die zolder wil Wiener haar een hart onder de riem steken. ‘Was ik maar geen Jodin’, zegt Tante. ‘u gaat het nog twee jaar volhouden en daarna zult u nog een kwarteeuw in welstand leven…’, probeerde ik haar op te monteren. Maar naar deze troostrijke woorden scheen ze in het geheel niet te luisteren. Het was alsof ik ze niet had uitgesproken.’ De lezer komt te weten dat zijn vader op een formulier heeft aangekruist dat zijn grootouders ‘nul procent’ Joods waren. Aan bod komt ook een Haarlemse notaris die testamenten, een faillissement van zijn grootvader, dokter Wiener, aandelen speculaties en dergelijke, onder Wieners aandacht brengt. Doortastend probeert hij zijn familiegeschiedenis te ontrafelen. Hij voelde zich niet thuis bij de familie van zijn niet Joodse moeder en nu wil hij de familie van zijn Joodse vader onderzoeken. Hij bezoekt begraafplaatsen, leest brieven en documenten, maar hoe meer hij zich verdiept in die materie hoe meer ontheemder hij zich gaat voelen. En concludeert: ‘Gaande mijn leven ben ik tot de ontluisterende conclusie gekomen dat ik in geen enkele traditie sta, nergens bij hoor, niet bij mijn Joodse vader, maar evenmin bij mijn niet-Joodse moeder, niet bij de digitale wereld van mijn kinderen, maar ook niet bij mijn grootouders, ooms en tantes die ik geen van allen ooit ontmoet heb.’ De nu 70-jarige Wiener is een eenzame man die ook met zijn kinderen een moeizame relatie heeft. Zijn poes Lolita is zijn grote troost èn de drank. En schrijft Wiener: ‘Als je beseft dat je Out of time and out of place geboren bent, word dan schrijver en kies je eigen tijd en plaats en ontleen aan het schrijven tenminste nog enige levensvervulling. En op de keper beschouwd, hoe aangenaam is het niet op te kunnen gaan en te verdwijnen in een leven dat je zelf geschreven hebt, en tegelijkertijd, in alle eerbied, een in memoriam op te richten voor de helft van je familie, die je nooit gekend hebt?’ Ondertussen ergert Wiener zich eraan dat zijn geheugen ‘de neiging vertoont eerder de negatieve belevenissen uit mijn leven te registreren dan de positieve.’ Wieners ontdekkingsreis wisselt hij af met een zeiltocht van Hoorn naar Oostende waar tal van herinneringen komen bovendrijven. In zijn epiloog gaat hij naar de laatste rustplaats van Tante Loes: ‘Uit de bomen vallen dikke druppels water met tikken op het pad. Ik haal diep adem en leef als nooit tevoren.’ Wiener schreef een bijzondere familiekroniek vol schrijnende en pijnlijke gebeurtenissen. Met nietsontziende zelfspot, ironie en droge humor gebracht, is ‘In zee gaat niets verloren’, een hoogtepunt in Wieners oeuvre.

Ellen de Jong  2015