Oosthoek, Andreas 2015

‘Het relaas van Solle’: roman van Andreas Oosthoek. Gedreven door het verlies van een vriend

Vader Danker-Jan Landa en moeder Bente-Benzen ‘krijgen een zoon en opvolger die volgens de traditie Danker-Jan genoemd wordt, een opvallend blond en stil kind dat zich niet aansluit bij de dorpsjeugd, dat weigert op klompen te lopen, dat niet ten onder gaat aan felle pesterij, een jong dat gevreesd wordt om zijn mateloze driftaanvallen.’ De jongen krijgt zijn geuzennaam: Solle. Andreas Oosthoek publiceerde bij uitgeverij Cossee ‘Het relaas van Solle’. Oosthoek schreef een groot deel van dit boek in 1974, na het overlijden van een goede vriend. Lange tijd leek het manuscript verdwenen, pas in 2014 werd het bij een verhuizing teruggevonden en met enige toevoegingen omgezet in dit boek. Oosthoek laat Solle zijn verhaal vertellen: Hoe hij als enig kind opgroeide op La Solitude in de Zeeuwse polder van de jaren vijftig en welke rol zijn ouders en grootouders in zijn leven speelden. Stukje bij beetje komen we te weten dat zijn vader, die Solle adoreerde, getekend is door de oorlog en ternauwernood aan het nazi bewind kon ontsnappen. Later bouwde hij samen met de Deense Bente zijn boerenbedrijf op, hoewel hij andere dromen had. Zoon Solle gaat naar het gymnasium en ontmoet er Jacques. Beiden zijn excentrieke buitenstaanders en voelen zich ogenblikkelijk tot elkaar aangetrokken. Een aantrekkingskracht die al snel uitgroeit tot een liefdesrelatie. ‘Nu ik helemaal je vriend ben geworden, zal ik nooit meer alleen kunnen zijn. Zo moet het en zo zal het gaan. Dat wil ik en dat wéét je. Je wéét het!’ zegt Solle tegen Jacques. Zijn antwoord luidt: ‘Zo zal het gaan. Voortaan noemen we je Aimé, de beminde. Of Duif, mijn blonde kroonduif.’  Van Solle wordt verwacht dat hij het boerenbedrijf zal voortzetten, hoewel zijn hart bij de muziek ligt. Hij is een natuurtalent op de piano. Hij gaat landbouw studeren en Jacques Baron d’ Ulm - zijn titel geeft hem verplichtingen die zijn vrijheid belemmeren - wil zijn horizon verbreden en gaat naar Parijs, van waaruit uit hij andere steden bezoekt. Solle gaat zo vaak hij kan naar hem toe: ‘Ze zijn al ruim tien jaar samen, niet altijd bij maar nooit zonder elkaar. Solle heeft van die tijd geen minuut zonder hem gekund, beseft hij.’ Toch gaat hij telkens weer terug naar La Solitude, het eiland waar hij van houdt. De plotselinge dood van Danker-Jan, zijn vader de patroon, ‘komt aan als een mokerslag, de donder, verpletterend als een lawine, wurgend haast.’  En dan wordt Jacques ziek en sterft een langzame dood. Dokter Jan-Karel Boelee die bang is voor besmettingsgevaar vraagt aan Solle hoe zijn omgang met Jacques was. Solle vertelt over ‘de eerste jaren van het hoogtij. De niet te blussen brand. Zijn honger naar het lijf van Jacques, het donkere lijf dat hem zo lief was. Een niet te stillen schreeuwende honger. Ze vergaten alles. Daarna de kentering, de groeiende afstand. Twee handen die naar elkaar reiken maar elkaar niet altijd raken. De dromen ook: het verlangen naar de roes en de bedwelming van het begin. De tijd, de taaie kilometers.’ Solle gaat na de dood van Jacques naar Parijs, waar hij met hem zoveel gelukkige uren beleefde. Zal hij ooit over het verlies heenkomen? Oosthoek heeft geen vérslag van een reeks gebeurtenissen in Solles leven beschreven, maar een relaas: gedreven door het verlies van een vriend heeft hij zijn verdriet in een bloemrijke en weemoedige taal verwoord. Met zinnen die vloeiend in elkaar overlopen en nergens haperen. Of het nu zijn stormachtige natuurbeschrijvingen of de innige liefdesgeschiedenis met aanverwante familie perikelen betreft.

Ellen de Jong   2015