Offill, Jenny 2015

‘Verbroken beloftes’ van Jenny Offill. ‘Alle huwelijken zitten provisorisch in elkaar’

Hoofdpersoon in ‘Verbroken beloftes’ van Jenny Offill, uitgave De Geus, vertaling Roos van de Wardt, is een vrouw. Ze kreeg in het boek geen naam en ook haar man niet. Offill noemt hen afwisselend: ik, jij, de echtgenote en echtgenoot, en als het zo uitkomt: wij. De vrouw vertelt en ze is heel bijzonder. Ze wilde het liefst een ‘kunstmonster’ worden, wat inhield dat ze zich totaal wenste te storten op haar ambitie. Boven haar bureau hing een memo met WERK GEEN LIEFDE. ‘Het leek een solidere vorm van geluk.’ Toch krijgt ze een echtgenoot en een baby die haar leven drastisch verandert. De baby houdt namelijk van schreeuwen: ‘Zó veel dat onze buren wegkeken als ze ons zagen, zo veel dat het voelde alsof er in mijn hoofd non-stop een autoalarm afging.’ Maar na verloop van tijd krijgt ze een innige band met haar dochter. ‘Er is een babyfoto van mij waarop mijn moeder me vasthoudt, op haar gezicht een uitdrukking van pure liefde. Jarenlang geneerde ik me ervoor. Nu is er precies zo’n foto van mij en mijn dochter.’ De echtgenoot leest zijn dochter elke avond voor en samen met de echtgenote dansen ze met het kindje de kamer door, ‘draaien eindeloos met haar door de keuken. Duizelingwekkend, dit geluk.’ De vrouw gaat lesgeven en schrijven. Het kind breekt haar polsen en het huis wordt bevolkt door luizen of te wel ‘bedwantsen’. De dagelijkse beslommeringen eisen de vrouw danig op. Ondanks dat vertelt ze aan andere moeders hoeveel geluk ze wel heeft met haar echtgenoot. Maar dan komt er een moment waarop hij de bedtijd van hun dochter mist: ‘Net als zij denkt dat hij zal thuiskomen, belt hij om te zeggen dat hij op het punt staat te vertrekken, iets wat hij nog nooit eerder heeft gedaan.’ Hij blijkt vreemd te gaan. Ze is ontzet over zijn verraad. Maar ze moet verder, ze wordt zelfs even verliefd en gaat zich verdiepen in boeken over gestrande relaties. Maar de echtgenote en de echtgenoot praten nog wel met elkaar, ‘in het kleine theater van verbroken beloftes.’ En gelukkig heeft ze haar dochter: ‘Het is ineens zo makkelijk voor de echtgenote om geduldig en lief voor haar dochter te zijn. Er zal nooit iemand of iets zijn waarvan ze meer zal houden. Nooit. Dat staat vast’, schrijft Offill. De echtgenoot wil een tijdje gescheiden leven. Zij is ‘met stomheid geslagen.’ Na ernstige verwikkelingen verhuizen ze met z’n drieën naar het platteland. Hoe zal dat uitpakken? Offill heeft haar verhaal doorspekt met allerlei associaties, gedachten, citaten en spitsvondigheden. Voor overspelige echtelieden en hun minnaressen bericht ze: ‘In Afrika bonden ze het stel aan elkaar vast, waarna ze in een rivier vol krokodillen werden gegooid. In Frankrijk moet de vrouw naakt door de straat achter een kip aanrennen.’ En ze concludeert: ‘Alle huwelijken zitten provisorisch in elkaar. Zelfs de huwelijken die er aan de buitenkant redelijk uitzien worden van binnen met kauwgum en draad en touwtjes bijeengehouden.’ Offill schrijft geestig, gevat en origineel en ze zet de vrouw raak neer in haar strijd die ze voornamelijk met zichzelf moet voeren om het leven met alle strubbelingen die daar bijhoren, aan te kunnen.

Ellen de Jong 2015