Grøndahl, Jens C. 2015

In ‘Portret van een man’, van Jens Christian Grøndahl, blikt de hoofdpersoon terug op zijn leven

De verteller zonder naam in Jens Christian Grøndahls boek ‘Portret van een man’, uitgave Meulenhoff, vertaling Femke Blekkingh-Muller, groeide op in een middenstandsgezin in de buurt van Kopenhagen. Hij is een stille introverte jongen, die noch door zijn zus Kirsten, noch door zijn ouders wordt begrepen. Als hij naar de middelbare school gaat, is hij de beste van de klas in Duits; hij stort zich op die taal omdat hij bezeten is van Marx en hem in de oorspronkelijke taal wil kunnen lezen. Zijn lerares Gudrun stimuleert hem daarin en nodigt hem bij haar thuis uit. Daar ontmoet hij haar dochter Erika, zijn eerste grote liefde. Zij is een bohemienne vrouw van eenentwintig jaar en hij de achttienjarige scholier die in Berlijn een vurige verhouding hebben, na een kalverliefde met Lisbeth, wijdt Erika hem echt in de liefde in. Beiden houden van filosofie en Brahms. Deze liefde loopt echter op niets uit, hoewel hij veel van haar leerde. In de uit drie delen opgebouwde roman blikt de verteller, die inmiddels zestig jaar is geworden, terug op zijn leven. Zijn moeder overleed, zijn vader begreep hij niet en al helemaal niet toen die direct na haar overlijden met een nieuwe vrouw in zee ging. Al had de verteller niet zo’n innige band met zijn moeder, ze was de eerste vrouw in zijn leven. Na Erika leek hij zijn geluk bij Maria gevonden te hebben en is hij leraar in Deens, Duits, geschiedenis en aardrijkskunde. En hij krijgt een dochter: Julie, waar ze samen heel gelukkig mee zijn. Hun relatie verdiept zich, maar als Julie zes jaar is gaan ze scheiden. Hij is weer alleen en komt er steeds meer achter dat hij anders is dan anderen. Hij is niet geschikt voor een huisje, boompje, beestje, leven. ‘Misschien had Maria gelijk, misschien was ik niet geïnteresseerd in gelukkig zijn. Dat woord bevatte in ieder geval te veel suiker. Was dat de zin van het leven, gelukkig zijn?’ En schrijft Grøndahl: ‘Dat geluk had toch geen zin. Het gelukkige was het zijn, alleen dat, ons zijn. De zin was iets waarmee je kon worstelen.’ Maar er blijven vrouwen op zijn pad komen (en gaan): Benedicte, Vivian, Ivana en Adèle. Grøndahls hoofdpersoon kijkt terug op zijn leven aan de hand van de vrouwen die er een prominente rol in hebben gespeeld. Treffende passages verwoorden die terugblik. Onder meer deze: ‘Ik dacht aan de vrouwen die ik had gekend en met wie ik meer dan een toevallige nacht had doorgebracht. Gezichten waarmee ik vroeg in de ochtend wakker was geworden, als het net licht werd. Dezelfde ochtend die hun gelaatstrekken langzaam uit het donker naar voren liet komen en ervoor zorgde dat ze zich vormden in de korrelige verdeling van licht en schaduw op de huid. Verschillende gezichten die wakker werden met het licht en dezelfde man zagen die hen opnam; dezelfde man in verschillende leeftijdsfases en nuances, met niet precies dezelfde verdeling tussen weten en hoop, zwaarte en lichtheid.’ Als Grøndahls hoofdpersoon tot slot zijn zestigste verjaardag in z’n eentje in Rome viert, dé plek waar verleden en heden door elkaar heenlopen, ontmoet hij een jonge vrouw: Jessie. ‘Jij kent mij, ik ken jou’, zeggen ze al snel tegen elkaar. Zullen ze zielsverwanten worden? Het ontleden van het gevoelsleven van zijn personages is één van Grøndahls handelsmerken, een ander is de weemoed om het verstrijken van de tijd en het relativeren van geluk. Deze Deense schrijver die al heel wat romans op zijn naam heeft staan, bewijst met ‘Portret van een man’ opnieuw dat hij zijn filosofische gedachten en ideeën over liefde en het leven in een poëtische taal weet te vatten. Op de achterkant van de omslag schrijft Arnon Grunberg: ‘Ik ben, vrees ik, verslaafd aan Grøndahl.’ Het zouden mijn woorden kunnen zijn.

Ellen de Jong 2015