Huff, Philip 2015

In ‘Boek van de doden’ van Philip Huff zoekt een schrijver naar betekenis in zijn leven

‘De doden zijn dood, voor hen zijn er geen problemen meer. Maar wij levenden, wij zullen na deze feestnacht weer wakker worden. En hoe zullen we dan verder leven?’ Simone de Beauvoir - Les Mandarins (vertaling Ernst Altena). Met dit citaat opent het ‘Boek van de doden’, van Philip Huff, Uitgeverij De Bezige Bij. Felix Post, bijna dertig jaar oud, ziet geen kans zijn weg in het leven te vinden. Hij is schrijver en publiceerde een boek dat een redelijk succes werd. Hij wil nu aan een nieuwe roman beginnen. Maar hij is geblokkeerd en krijgt geen letter op papier. Bovendien heeft Victoria, zijn grote liefde, hem verlaten nadat hij dronken met zijn auto tegen een boom reed en in het ziekenhuis belandde. Victoria zat naast hem in de auto, maar bleef ongedeerd. Zij heeft inmiddels een vriend en is zwanger. Felix ziet er geen gat meer in, hij vlucht in drugs, drank en seks. Hij deinst niet terug voor een escortgirl en voor andere meisjes om zijn lusten op bot te vieren. Maar gelukkig wordt hij er niet van. Het is de week voor Kerst waarin hij door Amsterdam dwaalt: een stad die Huff op z’n duimpje kent en met oog voor detail beschrijft, en waarin wij met Felix meelopen door straten en langs grachten. Hij loopt er met zijn ziel onder zijn arm van het ene feestje naar het andere, na gesnoven en geslikt te hebben. Maar als de roes voorbij is volgt de kater. De een nog heftiger dan de andere. Huff weet de leegte in Felix zelf en in de wereld om hem heen en het wanhopige zoeken naar betekenis in zijn leven, in mooie dialogen en volzinnen te vatten. Felix heeft geen ruggengraat, hij is niet in staat iets van zijn leven te maken en belandt in een vicieuze cirkel: hij verdient geen geld meer, zijn boek zal niet verfilmd worden en hij heeft geen ideeën voor een nieuwe roman. Over het ongeluk dat Felix kreeg schrijft Huff summier. Andrea, een vriendin van Felix, ontdekt na een hevige vrijpartij een litteken op zijn borstbeen. Ze vroeg hem wat er gebeurd was. Felix antwoordde: ‘Ik weet het niet meer. Ik was dronken. Ik reed langs een lange rij bomen. Ik zat niet lekker in mijn vel. Mijn nieuwe boek liep niet. De liefde niet. Ik had net ruzie gehad met iemand.’ En vervolgde hij: ‘Ik had geen riem om. Ik reed te hard. Maar er zat iemand naast mij. Zij had gelukkig wel een riem om. Ik geloof niet dat ik wilde dat gebeurde wat gebeurde. Dus in dat opzicht was het een ongeluk. Maar het was geen ongeluk omdat ik dronken was. Snap je?’ Later komen Victoria en Felix elkaar nog wel eens tegen op een feestje. Met een zuiver gevoel voor poëtische taal beschrijft Huff hoe ze dan op elkaar reageren en dat er altijd nog iets tussen hen is dat nooit verloren zal gaan. Ooit was er een warme zomerdag waarop Felix en Victoria ergens ‘aan de overkant van de gracht’ samen zijn: ‘Victoria had lang haar, in een hoge paardenstaart, zoals een schoolmeisje. Ik keek naar haar, naar het kraagje van haar blouse, naar haar hals en naar haar oor met het haar ervoor. De vorm van haar oor was overweldigend. De lijnen van haar hals waren de voorbeeldverdeling voor alle halslijnen op deze wereld. Het licht dat aan haar huid bleef hangen was het zachtste licht dat ik ooit had gezien.’ Een schitterende stijl van schrijven die Huff hier aan de dag legt. Tegen het einde van het boek als Felix Kerst viert in zijn ouderlijk huis op de Veluwe, belt hij Victoria nog eens op en kijken ze terug op hun tijd samen: een gelukkige tijd die na het ongeluk eindigde. En ze tot de slotsom kwamen dat ze elkaars leven niet konden redden. Als Victoria de verbinding verbroken heeft loopt Felix door het besneeuwde bos: ‘In de blauwe lucht lossen de laatste wolken van de nacht op als zachte plukken suikerspin. Het ven spiegelt de hemel. Dit is mijn plek. Dit ben ik. En buiten mij is er geen tijd, alleen dit land, de sparren, en het water. En verderop de bosrand van het Gelderse bos, met daarboven een blauwe lucht en die witte cirkel erin.’ Het lijkt erop dat Felix op de vraag die in het citaat werd gesteld: ‘En hoe zullen we dan verder leven?’ uiteindelijk een antwoord heeft.

Ellen de Jong   2015