Dis, Adriaan van 2015

In zijn roman ‘Ik kom terug’ geeft Adriaan van Dis zijn moeder ‘een papieren leven, of nog beter: een nieuw leven’

‘We stonden tegenover elkaar, mijn moeder en ik.’ Adriaan van Dis is, in zijn recente, in alle toonaarden al bezongen roman ‘Ik kom terug’, in gesprek met zijn bijna honderdjarige moeder. Uitgave Atlas/Contact. Zij is van boerenfamilie en trouwde met een Indische officier. Ze kreeg drie dochters en kwam terecht in Jappenkampen die ze overleefde. Haar man werd onthoofd. Na de oorlog kwam ze terug met een zwaar getraumatiseerde beroepsmilitair en was zwanger van zoon Adriaan. Als bastaardkind voelde hij zich van begin af aan al buitengesloten. Zijn vader leefde zijn frustraties op hem uit en sloeg hem elke dag. Zijn moeder greep nooit in en vluchtte in esoterie. Ze trok horoscopen en geloofde in reïncarnatie (‘Ik kom terug’). Enige warmte kon ze niet geven, noch aan haar dochters, noch aan haar zoon, gevoelsarm als ze geworden was. Emoties toonde ze niet, flink zijn onder alle omstandigheden was haar motto. Ook toen ze later haar tweede man, twee dochters en een kleinkind verloor, stortte ze niet in: ‘Aan tranen deed ze niet, het moest kennelijk zo zijn. ‘Karma’ was de dooddoener.’ Adriaan liep nooit warm voor zijn moeder, die hem liefdeloos opvoedde. Toen hij tien jaar was overleed zijn vader, op zijn negentiende verliet hij het ouderlijk huis ‘en likte de wonden van de moederliefde. Sindsdien hield ik afstand, als ik iets van haar had geleerd was het dat wel.’ Tot ze hem op een dag belde: ‘Je moet iets voor me doen.’ Ze was inmiddels vijfentachtig en verbleef in een verzorgingstehuis. Ze wil dood en hij moet voor een pil zorgen die haar een zachte dood belooft. In ruil daarvoor zal zij hem haar levensgeschiedenis vertellen die Adriaan zal optekenen: ‘Jij een verhaal, ik een pil.’ En, schrijft Van Dis: ‘We zwoeren samen: Ik zou haar een papieren leven geven, of nog beter: een nieuw leven. Ik zal haar verlossen. Verlossen van verhalen, en als ik flink ben zal ik haar verlossen van het leven en haar hand vasthouden.’ Van nu af aan zijn ze op elkaar aangewezen. Na jaren zwijgen komt haar leven bij flarden in beeld. Ze vertelt over onder meer haar jeugd als boerendochter, haar tijd voor de oorlog in Indië en de dood van haar twee mannen. ‘Maar één plaats werd omzeild. Het kamp waar ze met haar drie dochters opgesloten zat.’ Geen wonder dat ze verslaafd aan het lezen van boeken was en dan vooral aan de esoterische, daar ze liever in een andere wereld vertoefde dan in de reële: ‘Beter een boek op bezoek dan een mens’, was een van haar geliefde uitspraken. In de loop van hun ontmoetingen komen ze elkaar nader en krijgt Adriaan meer begrip voor wat ze allemaal heeft meegemaakt en hoe ze zo geworden is. Desondanks wil hij haar soms - hij doet op haar bevel de boodschappen en incasseert voortdurend haar bijtende opmerkingen - te lijf gaan. ‘Ik kromp tot knecht. Maar mijn hand verlangde naar een zweep.’ Zijn moeder is  een hardvochtige, lastige vrouw en tot op het laatste moment ongrijpbaar. Adriaan kan niet tegen haar op, hij moet zelfs af en toe pillen slikken om te kalmeren. Maar er zijn ook momenten van mededogen: ‘Zo breekbaar als ze daar zat, zonder masker, zonder de schaamte waarmee ze ons had opgevoed, mijn lichaamsschuwe moeder.’ En: ‘Was dit wel haar rug? Mager en schonkig, iets gekromd bij de schouders, de rug die in de moestuin bukte, de aanrechtrug waar ik als kind tegen sprak als ik van school kwam, de zwijgende rug - mijn klaagmuur.’  Langzaam maar zeker suddert de moeder naar haar eindje toe. Na haar dood beschrijft Adriaan in haar kamer aan tafel de dingen om hem heen, waaronder: ‘de foto’s van haar dode dochters en militaire mannen, haar knoestige wandelstok en de gesnoeide geraniums in de vensterbank.’ En ziet hij haar weer voor zich: ‘De balkondeur zwaaide open, mijn moeder kwam binnen, lenig en rijzig. Ze droeg tuinkleren, haar knieën glommen van het gras. Ze liep naar haar stoel, vouwde haar zuilen van benen over elkaar, griste mijn aantekenboekje weg en las de eerste bladzijde…
’We stonden tegenover elkaar, mijn moeder en ik.’ De bijzondere, aangrijpende, levensgeschiedenis van zijn moeder en de band tussen haar en hem weet Van Dis als weinig andere schrijvers in prachtig poëtisch proza te verwoorden. In een interview zegt Van Dis dat hij van ‘zijn ‘papieren moeder houdt en zich haar zo wil herinneren.’ Díe moeder die hij in 58 hoofdstukken tot leven bracht, zal de lezer eveneens bijblijven.

Ellen de Jong    2015