Hofstede, Bregje 2015

Bregje Hofstede zet met haar slotakkoord ‘De hemel boven Parijs’ in lichterlaaie

In de debuutroman van Bregje Hofstede: ‘De hemel boven Parijs’, uitgave Cossee, staat voorin een gedicht van Hanny Michaelis, uit  haar bundel ‘Onvoorzien’, Van Oorschot 1966.  Ik citeer het: ‘Met de jaren/ moet er veel worden weggegooid. De gedachte bijvoorbeeld/dat geluk mild is en duurzaam /iets als een zuidelijk klimaat/in plaats van een blikseminslag/die levenslang gekoesterde/littekens achterlaat.’ Mijns inziens hét hoofdthema van Hofstedes boek.  Ze studeerde Frans en kunstgeschiedenis. In Parijs doceert professor Olivier kunstgeschiedenis aan de Sorbonne. Zijn leven, dat hij deelt met vriendin Sylvie, verloopt rustig en aangenaam. Tot zijn baas Bonnard hem vraagt om (So)Fie te begeleiden; zij is een Nederlandse uitwisselingsstudente, die bij Bonnard en zijn vrouw in huis woont. Of Olivier haar wegwijs wil maken in de stad en haar wil helpen bij het maken van essays. Over kunstenaars die het creëren van een kunstwerk steeds uitstellen uit angst om af te gaan. Op het moment dat Olivier Fie ziet ‘schokte het beeld op zijn netvlies. Ze léék op haar. Mon dieu. Hij kneep met zijn ogen achter zijn bril. Ze leek echt ontzettend.’ Van nu af aan is het uit met zijn plezierige en rustige leventje. Fie doet hem namelijk sterk denken aan zijn vroegere, intens geliefde, Mathilde. Vijfentwintig jaar geleden hadden zij een stormachtige verhouding die Mathilde verbrak. Had Olivier wel goed gehandeld toen er een belangrijke beslissing moest worden genomen? Zij zit nog diep verankerd in zijn hart en hij heeft nog steeds een doos foto’s bewaard. Nu hij Fie ontmoet denkt hij terug aan hun tijd samen. Olivier neemt Fie mee op sleeptouw naar boekhandels en musea en helpt haar bij het vinden van een woning, daar ze niet langer bij Bonnard en zijn vrouw in huis wil blijven. Fie is een ontoegankelijk meisje van eenentwintig jaar en Olivier is tweeënvijftig. Hij neemt de vaderrol die hij van Bonnard kreeg toebedeeld, op zich. Maar telkens als hij met haar op stap gaat en vriendelijk voor haar is, sluit zij zich af: ‘Ze irriteerde hem. Er was iets helemaal verkeerd aan haar. Steeds opnieuw gaf ze hem een schok, een fysieke schok, zoals wanneer je een slok thee neemt en het blijkt koffie te zijn.’ Intussen geeft Hofstede ons een kijkje in Oliviers verleden, waarin Mathilde de hoofdrol speelt. Hoe hun levens elkaar kruisten, ze elkaar lief kregen en dachten bij elkaar te horen: ‘Alles was  toen nog zo licht, zo klein.’ In weloverwogen bewoordingen beschrijft Hofstede Fies houding tegenover Olivier. ‘Haar gezicht gaf niets weg. Ze liet sowieso niets los, liet nauwelijks een woord achter daar op de kade.’ En: ‘Fie stond daar maar, haar handen in de zakken van haar jas. En toch kon hij zich niet voorstellen dat ze zich altijd zo strak tot één stuk bundelde. In zo’n klein lijf alleen hield niemand het uit. Als hij zijn ogen dichtdeed, was daar een ruimte die zoveel groter was dan zijn schedel dat het ongelooflijk was dat er één gezicht omheen paste als hij ze weer openden. Dat zijn neus midden in dat eindeloze blikveld stak. Hij kon zich niet voorstellen dat zij kon leven in één lijf, in een klein kamertje, uit één koffer. Ze moest de rest van haar leven in grote dozen op een Nederlandse zolder bewaren.’ Hofstede excelleert met dit soort beeldende passages. Gaandeweg wordt Fie opener en zijn ze elkaar meer toegenegen, terwijl Olivier diep in zijn verleden graaft en een nieuw probleem ‘explosief en levensgroot’, voor zich ziet opdoemen. Zal hij via Fie in het reine komen met Mathilde en welke weg zal hij inslaan? Zal hij de woorden van Hanny Michaelis ter harte nemen? Hofstede beeldt hun beide karakters sterk en overtuigend uit en haar slotakkoord zet ‘De hemel boven Parijs’ in lichterlaaie.

Ellen de Jong    2015