Rodoreda, Mercè 2014

‘Tuin aan zee’: Schitterende klassieker van Mercè Rodoreda

De welgestelde heer Francesc en zijn vrouw Rosamaria Bohigues brengen hun zomers door in een weelderig landhuis aan de Spaanse kust. Ze hebben veel vrienden over de vloer waaronder: de kunstschilder Feliu die voornamelijk de zee schildert,  Eulàlia, die ook schildert maar in een volkomen andere stijl en haar man Sebastià, een vrolijke Frans die op een van zijn reizen sterft. Er worden veel uitbundige feesten gevierd met hulp van heel wat personeel. Zo is er kokkin Quima met haar roddelpraatjes, de dienstmeisjes Mariona en Miranda en Toni, de paardenverzorger. En de tuinman: Hij is de verteller in ‘Tuin aan zee’ van de Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda (1908-1983). Uitgave Menken Kasander & Wigman Uitgevers. Vertaling en nawoord: Frans Oosterholt. De tuinman laat ons zes zomers lang kennismaken met de verschillende personages en beschrijft hun komen en gaan. Zelf is hij een oprechte en bescheiden man, begaan met de mensen om hem heen. Hij is eenzaam want hij verloor zijn geliefde Cecilia al jong. Hij woont alleen in een tuinhuisje. Zijn leven bestaat uit het planten van alles wat hij maar mooi vindt en wat hij opgedragen krijgt. Het is een zeer grote tuin en hij kan zijn geluk niet op als de zaadjes die hij plantte tot weelderige bloemen uitgroeien. Het zijn zijn kinderen. Hij krijgt nog meer werk als naast het huis van de Bohigues nog een ander huis verschijnt. Een zekere heer Bellom heeft zijn zinnen gezet op een stuk grond om er een groot landhuis op te laten bouwen. Hij is zeer vermogend en de tuinman kan zijn gang gaan: hij plant onder meer cipressen, populieren, laurier, jasmijn en mimosa. Behalve de heer Bellom nemen zijn dochter Mirabel en zijn schoonzoon Eugeni hun intrek in het huis. Aan weerszijden van de haag buksbomen lijken de bewoners een rimpelloos leven te leiden vol feesten en partijen waarbij veel planten platgetrapt worden, tot verdriet van de tuinman. Maar naar verloop van tijd wordt duidelijk dat er onder het uiterlijk vertoon heel wat drama’s plaatsvinden. De tuinman krijgt er hoogte van, niet alleen omdat kokkin Quima hem dingen vertelt, maar omdat sommige bewoners hem zien als een vertrouwenspersoon. De heer Bellom bijvoorbeeld praat vaak met hem als hij door zorgen om zijn dochter gekweld wordt, die op dramatisch wijze haar man verloor. ‘U bent wijzer dan ik dacht, weet u dat?’, zegt hij tegen de tuinman, die hem beantwoordt met: ‘Toen ik klein was, ging ik voor een bloem zitten wachten tot hij openging.’ En dan komt de winter waarop de Bohigues besluiten het huis voorgoed te verkopen. Hoe zal het de tuinman dan vergaan? Hij zegt tegen de heer Bellom: ‘Als u een keer ’s nachts onder de bomen door loopt, zult u zien wat deze tuin u allemaal te zeggen heeft…Daar namen we afscheid, onder aan het uitkijkterras, en het was zogezegd het einde van het verhaal.’ In het nawoord licht vertaler Frans Oosterholt toe dat Mercè Rodoreda ‘teruggrijpt op het paradijs van haar kinderjaren: de tuin van haar opa.’ En: ‘Verknocht aan bloemen, jarenlang verstoken van bloemen, voelde ik de behoefte over bloemen te spreken en dat mijn hoofdpersoon een tuinman was.’ Hij vereenzelvigt zich met een oude eucalyptus: ‘Deze boom’, zegt hij, ‘heeft veel verdriet en veel vreugde gezien. En hij blijft altijd gelijk.’ Rodoreda schreef een luisterrijk verhaal vervuld van weemoed over onvervulde verlangens en bloemen die vergaan. In een prachtige, poëtische stijl vertaalde Oosterholt deze schitterende klassieker die in 1967 verscheen. En die nu gelukkig weer onder de aandacht komt.

Ellen de Jong  2014