Japin, A. Zoals dat gaat...

Een beeld van Arthur Japins bewogen leven in ‘Zoals dat gaat met wonderen’

Arthur Japins dagboeken, met foto’s, onder de titel ‘Zoals dat gaat met wonderen’, uitgave De Arbeiderspers, beslaan zeven jaar van zijn leven ( 2000 – 2007). Hij schrijft vooral over zijn reizen, zijn ontmoetingen, zijn liefdes en zijn doorbraak op literair gebied: onder meer over de totstandkoming van romans als ‘Een schitterend gebrek’ en ‘De overgave’. Over zijn onderzoek en dat zijn geschreven boek nog lang blijft natrillen in zijn hoofd. En tevens uit Japin zich met veel bewogenheid over zijn personages die hij karakter gaf: het werden zijn vrienden. Voor de liefde wordt ruim plaats gemaakt evenals voor melancholische gevoelens die Japin overvallen als hij afscheid moeten nemen van zijn vriend Lex en van Benjamin - die later zijn pad doorkruist - als hij lang op reis is. En van Amsterdam als hij verhuist naar Utrecht: ‘Sinds ik weet dat ik Amsterdam ga verlaten, bekijk ik elke stoeptegel alsof ik hem voor het laatst zie.’ Japin is gevoelig en poëtisch en hij houdt van mensen. Hij heeft een ruim en warm hart waarin heel wat dierbaren een plek hebben. Over liefde verdelen schrijft hij: ‘Mensen denken dat een man die meerdere vrouwen bemint zijn liefde tussen zijn geliefden moet verdelen. Alsof het een fles is waar maar zoveel glazen uitgaan. Het tegenovergestelde is echter het geval. De liefde verdubbelt zich gewoon. En weer. En nog eens. En steeds opnieuw blijkt er genoeg te zijn voor iedereen. Het is een wonderbaarlijke vermenigvuldiging. Maar zoals dat gaat met wonderen: wie er zelf niet bij is geweest, zal het niet willen geloven.’ Daarom kan Japin en Lex en Benjamin liefhebben en zelfs met hen samenwonen: ‘Met zijn drieën hebben wij geheel vanzelf volbracht wat niemand kan begrijpen.’ En: ‘Het is een nieuwe schakel aan de keten waar ik in geloof. Ik mag voor de een zijn wat de ander voor mij is.’ Maar ook zijn onzekerheid spreekt hij uit: ‘Ben wil bij ons komen wonen. Dat durf ik niet aan. Ik wil hem wel dicht bij me hebben, maar mijn samenzijn met Lex, onze twee-eenheid is mij dierbaarder dan alles. Die wil ik niet verstoren. Tegelijk verlang ik ernaar mijn beide vrienden naast me te weten.’ Japin verhaalt ook over zijn ontmoetingen met onder meer Doris Lessing (recent overleden), Edmund White, Norman Mailer (‘de meeste huwelijken gaan niet kapot door gebrek aan liefde, maar door gebrek aan vriendschap’), en andere beroemdheden. Ook zijn innige vriendschap met Rosita Steenbeek steekt hij niet onder stoelen of banken. En wat Japin zelf van het een en ander denkt: ‘mensen vormen zich een beeld van mij, en langzaam maar zeker komt dat steeds verder af te staan van wie ik ben. Hoe meer interviews ik geef en hoe meer ik daarin vertel over mijn persoonlijke leven en gedachten en gevoelens, hoe dieper ik graaf en me blootgeef, hoe meer mensen daarmee aan de haal gaan en hun verhaal aan het mijne vastplakken.’ En over zijn rusteloosheid: ‘Maar rusten kan ik niet. Van boek naar boek moet ik.’ Japin schrijft niet alleen, hij schildert ook. ‘Ik sta hele dagen te schilderen, nooit ver van Lex en Ben vandaan, maar schilderen snijdt me verder van de wereld af dan schrijven, misschien omdat in het laatste geval mensen mijn materiaal zijn, en in het eerste toch vooral objecten. Ben en Lex vinden het niet erg. Zwijgen is mijn natuur. Tenminste, dat idee heb ik zelf, maar als ik dat zeg moeten ze allebei heel hard lachen.’ En: ‘Waarom wil ik schilderend de werkelijkheid benaderen? Omdat het een tweede werkelijkheid is, een schijnwereld. Hoe meer die lijkt, hoe beter ik erin kan vluchten.’ Op een van de laatste bladzijden concludeert Japin: ‘Een dagboek is als een wild beest dat je eigenhandig uit de maalstroom van het leven hebt gered. Jarenlang heb je het gevoed en grootgebracht. Het dan te publiceren…dat moment waarop je het dier in de natuur loslaat…Wat het gaat aanrichten weet je niet, alleen dat je het nooit meer terug krijgt in de kooi.’ Gelukkig heeft Japin de kooi geopend zodat wij, lezers, de kans krijgen samen met hem te constateren dat de wonderen de wereld nog niet uit zijn.

Ellen de Jong