Gussinklo, Te, Wessel, 2014

‘Zeer helder licht’ van Wessel te Gussinklo: Fenomenale lofzang op de liefde

Wander is 31 jaar. Hij kan zijn draai in het leven niet vinden. Zijn studie psychoanalyse maakte hij niet af, hij heeft geen baan en geen huis en zoekt zijn heil in drugs en drank. En ook van hoerenbezoek is hij niet vies. Wander is een onaangepaste man, hij spoort niet. Wat blijft hem nog over? ’Schrijven, schrijven, dat was het enige wat overbleef; ook al was het misschien zinloos, was het zonder hoop. Schrijven; maar eerst me leegmaken, me reinigen met kranten vol onzin, ver bij alles wat mij bezighield vandaan; allemaal buiten me, allemaal ver weg. Mijn leven redden, op het nippertje, nu het nog kon, nu het nog niet helemaal te laat was.’ In de nieuwe roman ‘Zeer helder licht’ van Wessel te Gussinklo, genomineerd voor de Ako Literatuurprijs 2014, uitgave Koppernik, vertelt hij of Wander al dan niet zijn doel bereikt daar tot nu toe ‘wat ik ook probeerde, alles mislukte, brak af bij mijn handen.’ Wander probeert het wel, een roman te schrijven, maar al heeft hij veel beelden in zijn hoofd, ze te verwoorden is een vak apart. Tot hij de negentienjarige Hanna ontmoet. Ze studeert Nederlands en komt uit een welgesteld milieu. Een groot contrast met Wander, de aan lager wal geraakte loser van eenendertig jaar en dit jonge, pure, oogverblindend mooie meisje. Toch krijgen ze een band. Zij vindt hem interessant, maar wel ‘moeilijk’. Hoewel hij toch haar ‘lief’ is. Hij is buiten zinnen van liefde voor haar en kan zijn geluk niet op. Te Gussinklo trekt alle registers open om zijn diepste gevoelens tot uiting te brengen: ‘Alsof ik plotseling alles begreep, alles plotseling helder en duidelijk werd. En ook haar gedachten en gevoelens de mijne waren omdat ik alles precies wist, moeiteloos in één oogopslag.’ En: ‘Met Hanna, nu ik haar gevonden had, met Hanna was er iets opengegaan, een sluis, een deur in me die er eigenlijk nooit geweest was. Tegen haar wilde ik alles zeggen, haar wilde ik vertellen wie ik was, wat ik voelde […].’  Zij is zijn ‘lieve, lieve, Hanna, O Hanna, Hanna’, zij is zijn ‘leeuwtje’ en ‘zijn muze’. Voor haar wil Wander schrijven, nu of nooit: ‘nu ik je eindelijk gevonden heb, voor jou.’ Ze spreken elkaar regelmatig, houden elkaars hand vast en als zij zegt: ‘Dag lief hier ben ik weer, was het alsof er een breed en diep ademen over me kwam […].’ Maar dan komt het moment dat hij aan Hanna’s keurige ouders, ‘een venijnige bulldog’ en ‘een matrasachtige moeder’, wordt voorgesteld. Het bezoek is een ramp. Natuurlijk accepteren zij Wander niet, hij heeft geen baan, hij is te oud en te verloederd. Schitterende scènes, zowel geestige, als schrijnende, volgen als Wander totaal door hen wordt afgebrand. Maar hij blijft Hanna naar zich toe trekken. Als zij op een avond naast Wander in de auto zit rukt de moeder het portier van Wanders sjofele en tot op de draad versleten Renaultje bijna uit zijn voegen. Zij sleurt haar dochter er bij de haren uit en probeert Wander met haar ‘roze pompoentjes pantoffel’ te lijf te gaan. Hij laat zich echter niet kisten door die neurotische ouders en het vileine broertje, want die doet ook nog een duit in het zakje. Hij wil haar blijven zien, hoewel hij voelt dat zij afstand neemt, mede door het gedrag van haar ouders waar zij niet tegen op kan. Radeloos en wanhopig is Wander als zij zegt dat vriendschap voor haar genoeg is. Maar hij wil alles of niets. Wat nu, vraagt hij zich af in zijn van alle comfort verstoken bouwvallige huisje. Vluchten wil hij, maar toch ook niet want ‘daar komt geen einde aan.’ Gelukkig heeft hij vriend Berend die hem begrijpt. Maar meer dan een strohalm is hij niet. Vele bladzijden lang worden we in een stortvloed van woorden meegesleurd in Te Gussinklo’s gedachtenspinsels, golven van emoties, bezetenheid, razernij en obsessieve verlangens. Wander denkt dat hij wel weer zal gaan schrijven: ‘schrijven moest ik, alleen maar schrijven. Een eenzame, een eenling, met schriftjes en koffie in verre cafetaria’s en stoffige, weinig betreden cafés of in het verduisterde huisje. Het moest nu dat boek, anders zou het te laat zijn.’ Ondertussen kan hij het niet laten Hanna’s huis te bespieden in de hoop een glimp van haar op te vangen. Vriend Berend heeft geen respect meer voor het gedrag van Wander en laat dat ook terdege merken…Op de laatste bladzijde is Wander ‘Op de bodem van alle dingen aangeland. Niemand verwachtte nog iets van mij, bewonderde mij, had mij lief. Vrij was ik. Hemelhoog was de leegte om mij heen, niets wat mij nog vasthield. Niemand die nog iets zocht bij mij, of op iets hoopte. Losgelaten in deze wijdte was ik, zonder verwachtingen of illusies. Vrij.’
Het is een overstelpend rijk boek dat in één lange adem geschreven lijkt. Fenomenaal van taal! Wat gaat er veel om in het hoofd van Te Gussinklo en wat kan hij de liefde in alle toonaarden bezingen. Ik citeer één passage uit zijn lofzang op Hanna: zijn ultieme Hooglied:
 Als hij onder meer Hanna’s ‘kleine borstjes en de prachtige welving van haar hals’ heeft bewonderd, schrijft hij: ‘Maar vooral haar gezicht, zijzelf, het opglanzen van haar ogen. En soms opeens iets als opveren in mijzelf, ademloos opeens; opveren in mijn bed - terwijl ik toch stillag - door iets als een groot verblindend licht dat in mij oprees en toch tegelijk overal om mij heen was. Een zeer helder licht waarin ik keek, een licht voorbij beelden of zichtbaarheden; alleen helderheid, licht. Dit moest geluk zijn, wist ik opeens. Dit was geluk.’

Ellen de Jong      2014