Salter, James 2014

‘Lichtjaren’ van James Salter

‘Hoe kwetsbaar is geluk, hoe tragisch het vluchtige bestaan’
‘Het was herfst 1958. Hun kinderen waren zeven en vijf. Op de rivier met zijn kleur van leisteen stroomde het licht neer. Een zacht licht, ledigheid Gods.’ Nedra en Viri leiden met hun dochters Franca en Danny een luxe leventje. Ze wonen in een prachtig huis aan de Hudson rivier. In de buurt van New York waar Viri architect is en Nedra zich te buiten gaat aan het kopen van dure kleren en mooie spullen. James Salter laat ons in ‘Lichtjaren’, uitgave De Bezige Bij, vertaling Peter Verstegen, kennis maken met dit perfecte gezin. Al maakt Viri het niet echt als architect, gaat het hen financieel goed. Ze ontvangen veel vrienden, Nedra geeft uitgebreide diners, er lijkt geen vuiltje aan de lucht. ‘Eten op het land, de tafel afgeladen met glazen, bloemen, alle proviand die je kon eten, etentjes die eindigden in tabaksrook, een gevoel van ongedwongenheid. Etentjes met alle tijd.’ Toch knaagt er iets, vooral bij Nedra. Ze is een bloedmooie, slanke vrouw met een betoverende glimlach die menig man het hoofd op hol brengt. Viri is minder goed door moedertje natuur toebedeeld maar lelijk is hij niet. Beiden hebben buitechtelijke avontuurtjes waar ze kennelijk geen weerstand aan kunnen bieden. Nedra voelt na verloop van tijd dat er aan haar leven iets essentieels ontbreekt, al geniet ze nog zo van het huislijk geluk. Tegen een vriendin zegt ze: ‘Ik hou van hem. Hij is een fantastische vader, maar het is vreselijk. Ik heb er geen verklaring voor. Je bent ervan in de poeier, fijngemalen tussen wat je niet kan doen en wat je moet doen. Je vergaat tot stof.’ En: ‘Het enige waar ik bang voor ben zijn de woorden “een doorsnee leven”.’ Ze is op zoek naar zelfverwerkeling en ze wil: vrijheid. Tegen Viri zegt ze: ‘Is het niet beter om iemand te zijn die haar echte leven leidt en gelukkig is en genereus, dan een verbitterende vrouw te zijn die trouw is?’ Nedra wil scheiden, eerst maken ze nog een boeiende reis naar Engeland, maar daarna: ‘Ze was een nieuw tijdperk ingegaan. Al wat tot het oude behoorde, moest worden begraven, weggedaan. Ik wil niet terug naar ons oude leven.’ In de herfst gingen ze scheiden. ‘De helderheid van die herfstdagen had een uitwerking op allebei. Voor Nedra was het of haar ogen eindelijk opengingen; ze zag alles, ze was vol van een grote, ongehaaste kracht.’ Viri ‘rook het aroma van zijn eigen leven dat voorbij ging. Gedurende de hele procedure leefden ze zoals ze altijd hadden gedaan; alsof er niets aan de hand was.’ Nedra ging weg ‘Om een leven te realiseren.’ En: ‘Haar leven was van haar. Het lag niet meer voor het grijpen voor wie dan ook.’ ‘Viri bleef achter in het huis. Alles in huis, zelfs de dingen die van haar waren geweest, die hij nooit aanraakte, leken te delen in zijn verlies. Hij was opeens gescheiden van zijn bestaan.’ Wat Nedra en Viri daarna van hun leven maakten brengt Salter vervolgens aan het licht. We volgen ze op hun pad en lezen wat Nedra tenslotte beseft als ze samen is met haar oudste dochter Franca en tegen haar zegt: ‘Wat hou ik van je Franca. Van alle soorten was dit de ware liefde. Van alle soorten was dit de beste. Een kind na te staan voor wie je alles over had gehad, van wie je het leven had beschermd en gevoed met het jouwe, dat kind naast je te hebben, in vrede, was de echte, de diepste, de enige vreugde.’ En Viri dacht, lopend naar de rivier: ‘Ja, ik ben gereed, ik ben altijd gereed geweest, ik ben eindelijk gereed.’ Salter is een melancholisch schrijver en hij laat zien hoe kwetsbaar geluk is en hoe tragisch het vluchtige bestaan. Hij beschrijft dat met als achtergrond de eeuwig voortvliedende rivier en het licht waarmee elke nieuwe dag begint. Vooral met de herfst heeft Salter veel op. Het boek begint in de herfst van 1958 met een gelukkig gezin. En in de herfst vele jaren later kwam de scheiding door. Passend bij zijn melancholische levensgevoel is die herfst met laat licht op vallende bladeren, hét geliefde seizoen om de vergankelijkheid van het leven tot uiting te brengen. Op de laatste avond voor hun scheiding schrijft Salter: ‘Het was november. Hun laatste avond samen zaten ze te luisteren naar muziek- het was Mendelssohn - als een stervende componist en zijn vrouw. De kamer was vredig, vervuld van mooie klank. De laatste houtblokken brandden.’

Ellen de Jong     2014